Ilyâs:
Dus jij bent het
die de onverschrokken moed hebt gehad
om te spreken voor anderen,
niet bepaald de minsten.
Hein:
Ik erken schuld.
Maar ik had een hoger doel voor ogen.
Ilyâs:
Hoe hoog was dat doel dan wel,
dat je de naïeve hoogmoed hebt gehad
om zelfs de Allerhoogste een stem te geven.
Hein:
Ik weet dat ik slechts een kruimel ben
en leef in schaduw.
Mijn hoop is dat Hij ziet
dat ik geen kwaad bedoelde.
Ilyâs:
Wat was dan het goed
dat je voor ogen stond?
Hein:
Ik wilde tonen
aan de diep gespleten mensenmassa’s
dat er in de grond geen reden is
voor achterdocht.
Er is één God.
Dat is de kern van alle Heilige boeken.
Ilyâs:
Heb jij alle boeken bestudeerd?
Hein:
Ik heb er onbevangen kennis van genomen.
Misschien las ik nu met nieuwe ogen
en zag ik een glimp van de diepe betekenis.
Diepte die wellicht verborgen blijft
voor hen die met hun boek vertrouwd zijn.
Ik heb in ieder geval begrepen
dat de verschillende boeken waaruit Hij gelezen wordt
anders zijn geschreven,
maar dat de boodschap dezelfde is.
Ilyâs:
En denk je dat de boodschap
duidelijk wordt,
nu jij je ermee bemoeit?
Hein:
Ik ben niet alleen.
Wij zijn met tien.
Tien gedreven kunstenaars
die goede toekomst zoeken.
Als God ons ziet
en drieduizend engelen stuurt
naar deze plek
om ons werk te verlichten,
dan zal God weten
of wij verschil maken.
Ilyâs:
Je bent een mensenkind.
Zoals zoveel mensenkinderen
ben je klein en blind en groots tegelijk.
Jullie werken met vuur
zonder de gevaren ervan te zien.
Je hebt zelfs Iblis aangetrokken
door in zijn naam te spreken.
Het is dat God,
voordat je er om vroeg,
de drieduizend engelen al had gestuurd,
vooral om jullie te behoeden.
Jullie hebt geen kwaad in de zin.
God belast een ziel slechts naar de ruimte van het menselijk vermogen. |