Isma’il:
Spiegelingen.
Een verwarrend spiegelbeeld,
zo zie ik het.
Isaak:
Zoals wij gespiegeld zijn,
twee zonen met dezelfde vader,
twee takken van één loot.
Maar het spiegelbeeld is versplinterd,
de twee takken zijn uit elkaar gegroeid.
Isma’il:
Twee volkeren die gespiegeld zijn,
zonder dat de mensen zien
dat ze diep van binnen op elkaar lijken.
Isaak:
Zo is deze spiegel:
je kijkt er in en je verwacht
jezelf te herkennen,
maar je kijkt in vreemde ogen.
Isma’il:
Misschien staan we er te dicht op.
Je ziet de omgeving, opgedeeld, fragmenten.
Je krijgt een beeld
van waar je bent,
maar je verdwaalt.
Isaak:
Het mozaïek dat aan de spiegel
ten grondslag ligt,
is wél vertrouwd.
Het heeft een herkenbare wetmatigheid,
daar voel ik me bij thuis.
Isma’il:
Het patroon van moskeemuren,
vloeren, zolderingen.
Ontwikkeld uit het verbod op gesneden beelden van Allah.
Ach, welke mooie dingen kunnen ontstaan,
als de mens begrensd wordt in zijn vrijheid!
Schoonheid door beperking.
Isaak:
Ja, we zitten hier nu wel harmonieus
en gebroederlijk te praten,
maar we missen waar het over gaat.
De spiegel toont op de eerste plaats verwarring.
Isma’il:
Maar ik streef naar duidelijkheid.
Ik hou van ritme
en dat ritme wil ik liever niet verstoord.
Isaak:
Dat kun je wel willen,
maar duidelijkheid is niet wat je krijgt.
Verstoring is juist goed,
dat zet je aan het denken.
Het gaat om de vragen die je stelt.
Isma’il:
Heb jij dan de antwoorden?
Isaak:
Nu raak je de kern.
Er worden teveel antwoorden gegeven,
aan elkaar opgedrongen.
Jouw antwoord hoeft toch niet
het mijne te zijn!
Leefregels, wetten, kaders,
het zijn de tralies van gevangenissen.
Hoe kan ik nou mezelf zijn
als iets of iemand bepaalt
hoe ik moet leven?
Isma’il:
Wij moeten leven
naar de goede maatstaven.
Alleen zó worden wij onszelf.
Isaak:
Broers zijn we,
zonen van dezelfde vader.
Maar het zijn blijkbaar onze moeders
die onze geest hebben bepaald. |
 
Wia Stegeman |