De neushoorn

Hij is zijn eigen wapen: onverzettelijk
zijn kolossale staan en statig als een vorst
zijn lopen; harnas is zijn rug, zijn borst
en flanken - niet zo stroef of ongemakkelijk

beweegt hij, als de middeleeuwse ridders die
de eer van maagd en vaderland bewaakten -. Op
zijn neus een hoorn - alsof er voor de grap
een doorn is opgeplakt -, soms twee, nooit drie.

Hij is van vroeger, ouderwets en uit de tijd
dat er titanen leefden en de bossen nog
zo groot als landen waren, toen de strijd

om het bestaan nog mild was. Een gigant
met stalen spieren, bonk van hoef tot schoft.
Hij is van toen, in onze tijd gestrand.