DE KRUISWEG

 

1.

Jezus wordt ter dood veroordeeld.

 

Hij had het kunnen voorkomen, hij had
kunnen zeggen dat het een vergissing was,
dat hij uit was op macht, zoals de meesten
op het grote geld, dan was hij begrepen.

Ik zou gehuild hebben.
Ik zou gezegd hebben dat ik de zoon
van God niet was, maar die van Jozef.
Ik zou mijn dood geruild hebben met het leven
van Barabbas. Ik zou smeken, vluchten,
ik zou mens zijn.

Om de tempel opnieuw te kunnen bouwen,
moest hij eerst worden neergehaald.

De rechter waste zijn handen in water,
het bevel tot slopen was gegeven.


2.

Jezus neemt het kruis op zijn schouders

 

Een houten kruis werd gehaald.
Een kruis, niet te zwaar voor één mens,
maar zwaar genoeg om die ene mens te dragen.

Hoe vaak kan een kruis worden gebruikt?
Hoeveel kruisigingen voordat de spijkergaten
te groot worden, voordat het hout
versplin­tert?

Geschopt was hij, uitgescholden en
verne­derd.
Hij was al verslagen, toen hij -door zijn
knieën zakkend onder het gewicht- het kruis
op zijn schouders kreeg.


3.

Jezus valt voor de eerste maal onder het kruis

 

Hij liep, voet bij voet.
Hij strompelde, sleepte zich voort
over de losliggende stenen, geduwd,
bespuugd en uitgelachen.
Hij struikelde en viel.

Laat me hier liggen.
Laat mijn bloed op deze plaats
de aarde doordrenken. Als ik hier sterf,
neem ik jullie zonden misschien ook wel weg.

Ze lieten hem niet liggen.
Hij moest dood op hun manier.


4.

Jezus ontmoet zijn bedroefde moeder

 

Een moeder kent haar kind, ze weet haar kind.
Ze hoort wat hij niet zegt, ze ziet wat hij niet laat zien.

Hun ogen ontmoetten elkaar, een moment,
een eeuwigheid. Ze zeiden niets,
maar alles.

Het kind wist zich gekend, wist zich gewe­ten.

Ze droeg het kruis dat hij droeg, ze huilde
de tranen die hij zou kunnen huilen, ze voel­de
de pijn die hij even niet meer voelde.


5.

Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis dragen

 

Wat denk je, als je weet dat je doodgaat.
Bid je of vervloek je.
Hoor je wat mensen tegen je zeggen, weet je
hoe lang ze er al staan,
weet je waar je bent, als je weet dat je doodgaat.

Het zweet -met bloed vermengd- dat hij zweette,
was van angst.

Het kruis was te zwaar voor deze ene,
een ander moest hem helpen.
Er werd er een gewezen (die droeg het kruis
niet even, maar zijn verdere leven lang).


6.

Veronica droogt het aanschijn van Jezus af met een zweetdoek

 

Soldaten hadden voor hem gebogen
nadat hij van hun een doornenkroon had opgekregen.

De koning van Joden zal een dode koning zijn,
werd er gelachen. Over zijn wangen liepen rode straaltjes.

Zijn zicht werd vertroebeld door het bloed
op zijn wimpers en het zweet in zijn ogen.
Hij liep, bewoog, vertraagde zoals seconden
uren werden en minuten lange dagen.

Een vrouw stond voor hem,
ze hield een doek in haar handen.

Laat me je verzorgen, je wonden wassen,
mijn huis is niet ver.
Laat me je troosten, slaap in mijn armen.

Ze droogde zijn ogen.


7.

Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis

 

Jij maakte toch die scheve recht, jij liet toch
blinden zien en maakte melaatsen beter,
help jezelf aan een leven.
Kan je dat niet, draag dan je eigen kruis
en help jezelf naar de dood.

Hij kreeg het kruis weer op zijn schouders.

Zijn krachten waren op
maar toch bracht
hij zichzelf steeds hoger,
steeds dichter bij zijn vader.

Hij keek op en zag de Schedelplaats.
Hij keek op en viel.


8.

Jezus troost de wenende vrouwen

 

Dit was geen vervloeker,
dit was een bidder,
een trooster, een meelever
die doodging.

Dit was een ziener, die wist wat er geweest was,
een terugkijker, die wist wat er zou komen.

Huil niet om mij.
Bewaar je tranen
voor je eigen dagen.


9.

Jezus valt voor de derde maal onder het kruis

 

Hij moest nog één keer vallen.
Hij wist dat hij nog één keer zijn schouders
kneuzen moest, zijn knieën moest schaven
aan de harde grond, zijn gezicht moest
sch­euren
aan de stenen. Hij moest
nog één keer onder het gewicht bezwijken.

Uitgeput liep hij zijn laatste meters.
Hij zag zijn laatste uren.
Hij hoorde al zijn laatste schreeuw.
Hij viel zijn laatste val.


10.

Jezus wordt van zijn klederen beroofd

 

Jij gaat dood, geef mij je geld,
ik kan er van kopen, die ring
zal mijn aanzien vergroten,
je gouden kies, ik smelt hem om.
Waarom zou ik je te drinken geven,
jij gaat toch dood.

Wat heb je aan kleren als je dood bent.

Soldaten deden wat de psalmist gezongen had,
ze dobbelden om zijn kleden.


11.

Jezus wordt aan het kruis genageld

 

Dit is het moment
om te vechten,
om te schreeuwen, om te schelden.

Berust niet, trek je handen terug,
maak het ze moeilijk.
Blijf niet geduldig liggen
als een lam dat wordt geslacht.

Verlam ze, zij zijn schuldig,
sla ze met bliksem.

Verander de nagels in zaagsel,
geef jezelf vleugels,
wij zijn jouw lijden niet waard.

Hij was een lam.
Hij liet zich met vier nagels
slachten op het hout.

12.

Jezus sterft aan het kruis

 

Sterven moet niet in eenzaamheid,
maar met mensen die je liefhebt om je heen.
Je moet gestreeld worden ,er moet
van je worden gehouden.

Sterven moet vredig, in alle rust.
Je moet liggen in een bed
en terwijl je handen worden vastgehouden,
-zoals bij het eerste staan-
ga je langzaam weg.

Mijn God, mijn God,
waarom heeft U mij verlaten.

Met een schreeuw kwam de dood,
de tempel was gesloopt.


13.

Het lichaam van Jezus wordt van het kruis genomen

 

Je gaat voorzichtig met de doden om.
Doden zijn zwaar, ze werken niet mee,
maar je laat ze niet vallen,
alsof ze de val nog zouden voelen.

De levende, die sla je, die schop je,
die dood je.

De dode wordt niet meer geslagen.
De dode haal je van het doodsbed.
De dode haal je van het kruis.


14.

Jezus wordt in het graf gelegd

 

Kus de dode, zing een liedje,
zo zacht als je zou doen voor een kind
dat al in slaap gevallen is.

Blijf bij hem en luister naar hem
terwijl jij praat.
Vertel hem wat hij nog weet en jij nog niet.

Zeg hem wat je doet, zijn haren kammen,
zijn handen wassen, dat is goed.

Zwijg met hem.
De dood is goed.