Isaac Newton
Op een glooiende weide staat een boom.
Als enige in een wijde omtrek.Aan de boom groeit een roodgele appel,
een paar meter boven de grond.De appel heet Isaac. Er is niemand.
De wind waait voorzichtig.De enige beweging die is waar te nemen,
is het trage verloop van daglicht.De enige kracht die wordt uitgeoefend,
is de zwaartekracht: de aardedie met al haar massa aan de appel trekt.
Maar Isaac is sterk, laat niet los.Het is een geluidloze krachtmeting.
Uren verstrijken. Ze lijken eeuwigaan elkaar gewaagd.
Totdat het takje scheurt,waaraan Isaac zich vasthoudt.
De wind houdt haar adem in.Isaac valt. Met een snelheid
van enkele meters per seconde.Het vallen gaat geruisloos.
Het neerkomen niet.Een doffe klop; de klop van overgave,
van een appel aan de aarde.
(gepubliceerd in Op schalen van goud, Uitgeverij 521, 2003)