Ode aan de jaloezie
Je krijgt zo vaak aan de voordeur te horen
dat je niet welkom bent, maar aan de achterdeur,
in het holst van het donker, als geen ander het ziet,
word je gretig naar binnen getrokken,
alsof je de lieve deugd zelf bent.
Ja, zelfs ik, moet ik bekennen, bekijk je op straat
met diep in mijn gezicht gegrifte minachting,
al weet ik dat jij, op dagen van tegenslag,
mijn redder zult zijn; dan haal jij me uit de diepte
met sterk gevlochten verhalen van mannen die zakken
met geld verdienen en slapen met lustige vrouwen.
Dan neem je me mee door straten vol auto's
die nieuw zijn en glanzen en lees je hardop
de nummerborden aan me voor, zwervend door het alfabet.
En we trekken langs lachende huizen met garages als wangen
en hangende tuinen als vallende haren.
Bij het meest opvallende huis laat je ons stilstaan.
Hier woont geluk, zeg je dan. En ik staar
naar de welvaart en wil doodgaan
als ik jou zie bij de deur en de bel hoor.
Meneer doet open en ziet in seconden
dat jij het bent en smijdt de deur dicht.
Later zie ik je glippen langs bittere planten
die op moeten groeien tegen de schutting,
naar de achterdeur, waar vlugge armen je binnen trekken.
Niemand mag het weten. Zo kom je binnen.
Zo moet je leven.
En ik loop terug naar mijn kleine huis
en zal schrijven om niet te vergeten een ode aan jou.
(gepubliceerd in De Tweede Ronde, lente 2000)