Stadsgezicht
Dit is een gedicht
over een stad,
door mensen bedacht
en berekend.
Alles klopte en rijmde –
de tweede regel eindigdebijvoorbeeld met licht,
maar dat bleek daar niet
te werken – en de zinnen
waren even lang
als straten evenwijdig.Om de zoveel strofen
was er een witregel
en waren genoeg punten
voor rust om de drukte
in de stad te compenseren,
zeg maar leefbaar te maken.Het ritme van het
openbaar vervoer liep
gelijk met de ademhaling
van kantoren en het
was er altijd mooi weer.Er waren natuurlijk
geen dakloze criminelen
getekend en de regels
werden altijd nageleefd.Toen het gedicht af was,
lag de stad erbij
als een dood uurwerk.
Het dure mechaniek
was indrukwekkend,
maar het liep niet.Toen moest er
worden gesloopt en
herschreven: het rijm
ging als eerste tegen
de vlakte en overalverschenen
alledaagse woorden
die geen dichter
zou hebben bedacht.Er was op het laatst
ook geen goed
einde meer, geen slot
zoals taalkundige
bouwwerken graag
hebben, maar het leefde.
(gepubliceerd in Tegen beter weten, Vu-podium 2005)