Uittreding
Vannacht werd ik wakker van regen in mijn oog; starend stond het
als een vijver vol met water. Bij het eruit klimmen greep ik me vastaan rietstengels die als wimpers stonden op mijn oogkant.
De maan scheen als een spaarlamp op de gang en ik keek vakkundig uitover mijn huid op zoek naar wind; het leek alsof ik werd geroepen.
Uit de goede hoek vloog ik op mijn neus mijn droombedroogde mond in:een zure tong, ivoren kastelen en een vurige luchtballon die op zijn kop
als een huig in mijn keel hing. In de diepte ontdekte ik het stille snikken:een woordje 'ik' zat als een kippenbotje klem tussen mijn stembanden.
'Ik', zo veelomvattend klein, zo onbegrijpelijk van mij. Ikzweeg alsof ik in de spiegel keek. De luchtpijp rookte toen
ik hard en plotseling mijn uiterste adem duwde tegen dat verstikkende 'ik'en wrikte tot ik mezelf had bevrijd: omgekeerd klonk het in mijn buik: 'ki'.
Zwaar ademend wachtte ik tot ik zeker wist dat niets meer riep.Toen pas keerde ik de weg van de slaap om.
(gepubliceerd in De Tweede Ronde, herfst 1999)