*

 

We hebben haar uit niets gemaakt,
bedacht op papier, meter voor meter
uitgerekend en gelegd.
We dachten een goedaardig schepsel
te maken, maar creëerden een monster.

Hier ligt ze, op de droge zeebodem,
5 meter beneden N.A.P.,
de stenen octopus.
Haar asfalten tentakels reiken
nu al ver buiten onze tekentafels.

Ze oogt tevreden, rustig en verankerd,
maar onder de rioleringen trilt ze
van opwinding. Ze wacht,
ik weet dat ze wacht.

En wij, naïef en vol vertrouwen
in onszelf, maken steeds meer gaten
in de grond, geven haar lucht;
met iedere nieuwe
parkeergarage trekken we haar
een beetje verder uit de modder.

Zij bereidt zich voor; zij wacht
op de zee. Als het water haar
komt halen, zal ze klaar zijn.
Als de ontdooide ijsmuur
tot leven komt, dan zal ze zich
lostrekken uit de klei
en ontraceerbaar verdwijnen
in de troggen van de oceaan.

Maar niet voor eeuwig.
Op donkere uren zal ze
uit het water kruipen en
de lieve steden breken.
Niets houdt haar dan tegen.

Uit de diepte klinkt steeds vaker
de ondertoon van het oude water.
’s Nachts, op windstille momenten
kun je het horen, nauwelijks
waarneembaar voor onze
opgeblazen oren.

Maar als ik dan de stad
hoor kreunen, dan weet ik
dat zij weet wat er gaat komen.

 

 

(gepubliceerd in Tegen beter weten, Vu-podium 2005)