Judas-Passie

 

1.

Ik liep op je af om je te slaan
omdat jij mij tot waanzin had gedreven
met je doodswens en je rot verraad
aan onze vriendschap; om dit rotte leven.

Maar ik sloeg je niet. Uit liefde kuste
ik je wangen en zag in bloeddoorlopen ogen
onze vriendschap verdrinken, het beste
wat me ooit was overkomen.

2.

Ik wilde me omdraaien, mijn mes
trekken en vechten, maar mijn handen
waren van steen en mijn voeten stonden vast-
genageld aan de rand van de afgrond.

Toen soldaten je grepen, sloeg ik
mijn ogen neer. Terwijl je gebonden
werd, voelde ik van je ogen het zoeken.
Ik liet ze de mijne niet vinden.

3.

Je werd meegenomen, meegesleept
door uitgelaten jagers die hun prooi
na dagen jacht gevangen hadden - het beest.
Het schreeuwen, het spotten, het lawaai

verstomde in het donker. Ik stond
verdwaasd op de plek waar ik je had gezoend.
Gek werd ik. Ik kon niet denken, ik kon
gewoon niet denken. Wat had ik toch bedoeld.

4.

Ik begon, zonder het te weten, te lopen
naar de plaats waar je altijd bad,
en hoopte je te zien tussen de bomen,
gewoon, alsof er niets gebeurd was.

Ik riep je, zoals ik vaak je naam
geroepen had. Harder riep ik, omdat
je niet kwam. Ik huilde waar
je was, want we moesten hier weg.

5.

Soldaten zouden komen en je gevangen
nemen. Een vriend zou je verraden:
hij zou op je toestappen en je wangen
kussen. De duivel zou je komen halen

en je geven in de handen van de slechten.
Kom toch, smeekte ik, kom toch uit het donker,
maar geen gestalte nam jouw trekken
aan. Er gebeurde hier geen wonder.

6.

Toen het licht me raakte en ik
wakker werd, lag ik op het gras.
Naast me lag een lange stok
en in mijn hand hield ik mijn mes.

Ik had klaar gestaan om een oor
eraf te slaan; ik had klaar gestaan
om mijn leven te geven voor jou, voor
ons. Voor niets. Ik was een dood te laat.