De man in de stoel
Er was een man,
een oude man.
Er was een oude man in een stoel.
Hij zat bij het raam van de dag
onder een lamp.
Een oude man in een rookstoel
onder een leeslamp.
Hij zat en hij had
een boek op zijn schoot
en een bril op zijn neus.
Er was het licht van de dag.
Er was het licht van de lamp.
En de letters in het boek.
Maar de man las geen woord.
De letters werden groot.
De letters werden klein,
maar ze bleven in het boek,
en het boek bleef op schoot.
bij de man in zijn stoel.
Waarom las de man niet?
Had hij geen zin?
De oude man dacht.
Hij dacht aan de dag.
Hij dacht in het licht van de lamp,
in het zachte licht
van schemering.