De man in de straat

Neem voor de geest
een man zo oud als u,

die staat met zijn rug tegen de muur,
een bakstenen muur.

Zijn ogen dragen wat te zien is:
de grauwe muur aan de overkant van de straat.

Hij ziet niet het open einde
aan zijn linkerhand en ook niet rechts

het verdwijnpunt
tussen bomen en struiken vol groen.

Hij ziet ook u niet,
alsof u er niet bent.

Hij kijkt alleen naar de onveranderde grauwe muur
aan de overkant van de straat.

Dan –  de man is slechts een paar zinnen ouder
sinds u hem voor het eerst zag

aan het begin van dit gedicht –
verandert hij zienderogen voor uw ogen.

De plooien in zijn voorhoofd nemen in korte tijd
de vorm aan van voegen en zijn wangen

worden ruw als baksteen.
Een oogontmoeting is nu niet meer mogelijk.

Hij is reddeloos
als steen.