De opstanding
In het bos, op een zonovergoten open plek, De wind valt losjes over zijn gezicht. en luisteren naar zijn ademhaling. die spelen met hun takken. Precies op de plaats waar hij ligt, Mieren en wormen kruipen in haar mond De jongen weet niet van haar bestaan hem van moeheid deed gaan liggen. en zich voelt alsof hij is herboren, om anders te denken |
|---|