De opstanding

In het bos, op een zonovergoten open plek,
ligt een jongen op de grond.

De wind valt losjes over zijn gezicht.
Dode bladeren liggen als oren bij zijn hoofd

en luisteren naar zijn ademhaling.
De jongen kijkt naar de bomen

die spelen met hun takken.
Een merel kijkt naar hem.

Precies op de plaats waar hij ligt,
ligt onder de grond een vrouw.

Mieren en wormen kruipen in haar mond
en vullen haar zwijgen met nieuw leven.

De jongen weet niet van haar bestaan
en ook niet dat de aarde juist op die plaats

hem van moeheid deed gaan liggen.
Dus als hij opstaat

en zich voelt alsof hij is herboren,
dan heeft hij geen reden

om anders te denken
dan hij denkt.