Het jonge meisje en de
stenen Ze liep als een dove over kiezels en hoorde niet het stenen geschreeuw tot haar benen vertraagden en een stilstaan haar van een groot lijden opmerkzaam maakte. Ze bukte en pakte een grauwe kiezel uit duizenden. Vragend lag het in haar hand toen ze zat aan de kant van het pad op het opgerukt gras. En ze luisterde. Als antwoord ontknoopte ze haar bloes en ontblootte als een verse moeder één gevulde borst. Ze duwde de kiezel tegen haar tepel. Als tranen lekten waterige druppels op de glans van de steen en verdwenen. Op de mond van de voedster groeide een glimlach van voldoening. Zo zaten zij: moeder en steen. De witter wordende steen tegen de tepelop een bleke borst. Het dorstige pad. |
|---|