Het waargebeurde sprookje
Er was eens een oog.
Het mijne.
Het betrof mijn linkeroog, voor de kijker rechts.
Ook dat oog kan natuurlijk niet buiten mij om,
maar omdat het geschreven was, dacht het waarschijnlijk:
kom, ik ga eens een kijkje nemen in de wereld
die normaal niet binnen mijn blikveld valt.
Mijn hand probeerde nog iets anders te schrijven,
maar mijn oog was al weg, uit het zicht,
met de muziek mee, met de noorderzon vertrokken.
Er verstreken in mijn leven toen een aantal moeilijke bladzijden,
die ik u verder zal besparen (het meeste is bovendien onleesbaar),
toen voor mijn achtergebleven oog plotseling
mijn weggelopen oog weer stond.
Hij was getekend door het leven,
alsof het de meest vreselijke dingen had aanschouwd,
maar ik zag vooral het licht.
Nu denkt u waarschijnlijk aan de parabel van de verloren zoon,
en ik moet u zeggen dat die vergelijking ook bij mij was opgekomen,
want in één klap was ik mijn mismaakte wang vergeten
en wilde ik al mijn andere wang aanbieden om samen te glunderen,
te huilen van geluk,
maar mijn thuisgebleven stak daar een stokje voor, figuurlijk gesproken:
hij keek glashard de andere kant op.
Mijn verloren oog nam het gelukkig licht op en wist zijn plaats.
Ik gaf mijn boze oog de tijd
en dacht dat het na verloop wel goed zou komen,
maar het werd eigenlijk alleen maar erger.
Ik bekijk door hun starheid werkelijk alles van twee kanten.
Het leven gaat natuurlijk door,
en een toeschouwer ziet hooguit dat mijn ene oog
wat roder ziet dan de ander, maar verder kijken ze niet.
Voor mij is het een drama.
Wat ik nu precies zie?
Ik zal het zeggen met een metafoor:
de een leest proza, de ander poëzie.