Het was op zo’n bijbelse dag
Het was op zo’n bijbelse dag,
zo’n dag die in visioenen was voorzien,
dat het woord van ons werd weggenomen.
We zagen sprakeloos hoe de taal
uit boeken kwam gekropen
- zoals op de dag des oordeels
de doden uit de graven.
Het was op die dag
dat de woorden werkelijkheid werden:
utopische landschappen,
onbeschrijflijke vergezichten,
paleizen, huizen, verlaten gehuchten.
Mensen die eerst nog alleen
beschreven waren, werden nu
van vlees en bloed en staarden
met grote ogen van verbazing
naar het onwerkelijke tastbare,
naar elkaar, naar zichzelf…
Kamers stroomden vol, overvol.
Alle boeken van alle tijden,
van China tot Chili, van Alaska
tot aan Madagaskar, in elke taal
geschreven, elk boek
liet zijn karakters vrij:
vrouwen, jonge, oude,
mannen jochies, lieden gehuld
in anachronistische kledij,
sprookjesfiguren soms
met onbestaanbare koppen,
verpleegsters met smachtende
blikken, onbeschreven blondines,
onbegrijpelijk gebruinde dokters,
onmenselijk onverschrokken helden,
autobiografische types – Picasso,
springlevend, Jean-Paul Sartre,
en daar
zag ik mezelf.
Ik zag mijn ongerijmde zelf
en wist niet wat ik zag.
We hadden eerst geen woorden
om te zeggen wat we dachten,
en even later zelfs geen woorden
meer om te denken.