Ik
Ik dus.
Niet jij, jij
die dit leest
en waarschijnlijk dacht
dat jij dit bent.
Nee,
dit gaat niet
over jou.
Ik.
Gewoon ik,
niet meer.
Ik zonder gezicht.
Ik zonder benen.
Zonder lichaam.
Ik heb natuurlijk wel benen en zo,
maar je kunt niet door de woorden kijken.
Jij ziet alleen de woorden.
Ik zie waar ze vandaan komen,
ze komen uit míjn ogen.
Daarvoor waren ze ergens anders.
Ze kwamen via een lijntje uit de lucht.
Niet echt vanzelf, maar metaforisch gesproken.
In een gedicht is het geen enkel probleem
om een metafoor te gebruiken.
Daar wacht je misschien zelfs op.
Ha, denk je vast, eindelijk een metafoor,
nu wordt het een gedicht.
Dat kan, dat je dat denkt.
Of misschien vind je dit helemaal geen gedicht.
En vind je die metafoor uit de lucht gegrepen.
Dat kan ook.
Ik weet niet wat je vindt.
Ik weet, nu we het er toch over hebben,
trouwens helemáál niks van je.
Ik weet niet wie je bent.
Ik heb alleen maar een je.
Zoals ík voor jou zonder benen ben,
zo ben jij dat voor mij.
Je bestaat zelfs nog helemaal niet.
Je bestaat pas als je dit leest.
En als je klaar bent met lezen,
me neerlegt en wegloopt,
dan heb je ook benen.
Die heb ik dan je gegeven.