Judaspassie
een Passiespel in 14 bedrijven
1
Commentator:
De waarheid gaat schuil achter waarheid:
er werden duiven uit de ark gezet,
om land te zoeken.
Alle duiven kwamen terug,
de eet een tak van de olijf,
de ander met een vijgenblad,
de derde met een jonge scheut van de eucalyptus,
de vierde, de vijfde – ze werden allemaal verwelkomd.
Een kwam terug met de uitloper van een doornstruik.
Aanklager:
Ben jij de duivels linkerhand?
Judas:
Als ik me ‘ja’ antwoord, word ik veroordeeld.
Antwoord ik met ‘nee’, dan is dat de leugen
die verwacht wordt van de duivels linkerhand.
Er is geen antwoord dan te zwijgen.
Aanklager:
Was jij het dan niet die voorging in verraad?
Judas:
Ik heb niemand verraden die niet verraden moest.
Aanklager:
Was jij het dan niet die als beloning dertig zilverlingen kreeg!
Judas:
Zonder doornenkroon was hij geen koning.
Zonder zilverlingen was ik geen verrader.
2
Aanklager:
Zie de mens!
Aanschouw zijn gure kop.
Aanschouw zijn vuile handen.
Hij heeft de blik van een verrader,
de klauwen van het beest.
En hij geeft het toe.
Hij is het kwaad,
zijn naam is Judas.
Volk:
Verraad schoot wortel in zijn naam.
Hij is de kanker van de mensheid.
Zwart zijn z’n verrotte ingewanden,
bedorven is zijn stinkend hart.
Hij, de vuile slang die kronkelt
om de bokkenpoten van de satan,
Judas, Judas van Iskarioth.
Commentator:
Maar hij was toch eens een vriend van Jezus,
de smetteloze man uit Nazareth.
Liep Judas niet precies dezelfde weg als hij,
langs dorpen en steden om te spreken over goedheid,
over liefde?
Was Judas niet door hem geroepen
om zijn verleden te verlaten,
om in armoede een toekomst in te gaan!
Wie van jullie zou er komen als God riep?
Wie van jullie zou een droomstem geloven?
Hoe hard moet God schreeuwen
opdat wij hem horen?
3
Judas:
Ik was nooit eerder iemand geweest,
een kind tussen andere kinderen,
een jongen tussen mensen,
een man als zoveel.
Ik herinner me het zonlicht
dat hem scheen te dragen.
Er leek een stilte om hem heen te hangen.
Zijn gang was traag, maar onstuitbaar als de wind.
Mensen stapten zonder het te merken opzij en maakten een pad.
Zo vond ik hem.
Nee, zo vond hij mij.
We trokken als nomaden,
zochten godvruchtige mensen in straten, huizen, schamele hutten.
En we vonden de stumpers.
We beloofden ze paleizen in de hemel,
daarin zouden ze wonen.
Ik zag een kreupele die het lopen weer begon te lopen,
omdat hij ons geloofde.
We hebben veel ons woord gegeven.
Maar ik werd moe, doodmoe.
Ik hunkerde naar een huis om alleen te zijn,
een muur desnoods waaraan ik mezelf kon ankeren.
Ik zocht mijn eigen plaats.
Commentator:
Soms droomt hij dat hij weer een jongen is.
De velden, de boom bij het huis,
zijn moeder die zingt bij het bereiden van het avondeten.
Ze praten nooit, maar weten alles.
Vrede.
Judas:
En dan dat afschuwelijke wakker worden.
Woord voor woord kruipen de herinneringen
mijn terug in m’n geheugen.
Hoe moet ik vergeten?
Volk:
Jij mag niet vergeten.
Jouw weten moet branden in je hoofd.
Lijden zal je, want jij bent het kwaad,
het ongedierte dat moet worden verdelgd.
Geef hem geen kans, want van een gegeven vinger
heeft hij aan de nagel al genoeg
om uit het graf te kruipen.
Judas:
Er gaat geen uur voorbij, geen tel,
dat ik niet voel hoe zwaar mijn geweten is.
Er gaat geen dag voorbij.
4
Commentator:
Welk licht heeft Jezus diep in hem gezien?
Of zou hij zich in hem hebben vergist?
Vergissen is menselijk!
Judas:
In die droom is het altijd licht.
Er bestaat daar geen nacht.
Commentator:
Dit is niet de parabel van de vader
die zijn zoon verloor,
maar van de zonen die elkaar verloren.
Moeten zij elkaar na een leven uiteindelijk niet vinden en vergeven?
5
Judas:
Ja, ik ben hem verloren.
Hem, die ik liefhad als mijzelf.
Ik probeerde bij hem te komen,
maar het was alsof elke stap die ik deed
er een achteruit was.
En hij liet het gebeuren.
Hij duwde me weg met zijn zwijgen.
Wat had ik misdaan?
Zag hij het kwaad in mij?
Totdat ik het zelf zag.
Het licht werd grauw.
Boosheid viel als een kleed over me heen.
Mijn bloed werd vergiftigd,
mijn hart versteende.
Commentator:
Zijn dit geen verzachtende omstandigheden?
De mens moet van nature goed zijn,
want staat God niet aan de wieg van ieder leven?
Als een kleed kwam het kwaad over hem.
Als het kleed dan van hem wordt afgehaald,
is hij dan niet genezen?
Verlos hem van het kwaad
dat zijn hart heeft verdonkerd.
Judas:
Soms weet ik niet meer
of ik mezelf nog wel ben.
Herinneringen lopen over in elkaar,
delen van mijn leven vermengen zich makkelijk
met andere delen van mijn leven.
Soms weet ik niet eens zeker
dat het mijn eigen leven is dat ik me herinner.
Aanklager:
Je probeert je te verstoppen achter oorzaken.
We kennen de listen van de duivel wel!
Maar het zal niet lukken.
Oog om oog, je zult lijden
om het leed dat je ons hebt aangedaan
door Jezus van ons weg te nemen.
De aarde is een hel geworden door jouw toedoen.
6
Judas:
Is er geen vrouw die de schuld
van mijn gezicht wil wassen?
Is er geen man die de schuld een paar tellen
op zijn schouders wil nemen?
Heb ik geen moeder meer die weet wat ik meemaak?
Geen vader?
Er is niemand die huilt met me.
Er is niemand die huilt met me.
Ik was zwak, mijn geest brak snel.
Een dreigende blik, een klap
als voorbode van marteling was genoeg.
Een duw in de verkeerde richting.
Natuurlijk ben ik een verrader.
Maar er was een leegte, ik was bang.
Hij, Jezus, de redder, werd somber
en sprak steeds minder tegen ons.
De onzekerheid werd groter met de dag.
Zoals die keer in de storm toen hij sliep.
Hij was afwezig.
Hij werd een vreemde.
Hij heeft zichzelf verraden,
en ons liet hij in de steek.
Zijn beloften dreven weg
als bladeren op het water.
7
Commentator:
Hoor! Hij spreekt over ‘ons’.
Hij was een van de twaalf.
Aanklager:
Het helzaad viel alleen bij hem in zwarte aarde.
De andere apostelen bleven rein.
Commentator:
De storm van het kwaad
beukte niet alleen tegen het zijne,
maar tegen twaalf harten.
Van het verbond was hij misschien de zwakste schakel.
was dat de ketting brak bij hem
niet de redding van de anderen?
Volk:
De ketting van de hemel
zal de keten worden van de hel.
Judas:
Ik ben geketend.
Met alles wat geweest is
ben ik geketend aan het leven van Jezus.
Met alles wat zal komen
ben ik geketend aan zijn dood.
Commentator:
Laat hem zijn eigen rechter zijn.
Hij weet als gene ander de betekenis van zijn daden,
de goede en de slechte.
Aanklager:
Hij zal onder zijn daden vandaan kronkelen
als de slang die hij is.
De kans om te vluchten
zal hij met beide handen aangrijpen.
Commentator:
Wie zou niet vluchten naar het licht
die in donker geen vinger voor ogen kan zien?
Wie zou niet dromen van een straal van de zon?
Wie zou niet hunkeren naar een hand
die door eenzaamheid gekweld wordt?
Judas:
Een hand op mijn schouder….
iemand die me aankijkt.
Maar geen zal er zijn die met me meelijdt.
Geen die begrijpt hoe verloren ik ben.
Niemand die helpt een uitweg te vinden.
8
Aanklager:
Hoor! Hij spreekt van een uitweg,
hij zoekt al een weg om zijn straf te ontlopen.
Commentator:
Het is toch niet de taak van het licht om schaduw te maken!
Schijn licht in de duisternis, opdat de weg naar de hemel verlicht wordt.
Of is misschien het licht van uw hart niet sterk genoeg?
Judas:
Ik weet weer hoe hem volgden door woestijnen.
Nooit waren we bang om te verdwalen.
Ik moet achterop zijn geraakt, want ik verdwaalde.
Belaagd werd ik door twijfel.
Later kwam de angst die me aanvrat.
Ik was een makkelijke prooi.
Armen kregen in de hemel een plaats beloofd naast Abraham.
Blinden hoorden troostende woorden over de blindheid der zienden
en kregen zicht op de toekomst.
Kreupelen kregen de kracht om te staan en te gaan.
Melaatsen werden beter. Doden zelfs levend.
Verraders kwamen we nooit tegen.
Aanklager:
De verrader liep mee.
Commentator:
Ja, hij liep mee,
maar uit liefde.
Judas:
Liefde.
Dat was het.
Dat is het.
Ik zoek hem nog steeds.
Als ik niet weet in welk nu ik leef,
als wat geweest is weer helder is,
verwacht ik zijn stem te horen,
zijn gestalte te zien.
Dan mis ik hem.
Als ik hem nog één keer mocht aanraken,
dan vond ik de kracht om af te dalen naar de hel.
Volk:
Wij helpen je wel!
Commentator:
Laat hem in de dood zijn leven beteren.
9
Judas:
Ik ben bang.
Niet voor de pijn van het sterven,
maar om in handen van de dood te zijn.
Angst voor de stilte.
Angst voor de alles verscheurende eenzaamheid.
Commentator:
Er wordt gezegd dat Jezus aan het kruis
nog iemand heeft gered.
Een misdadiger.
Judas:
Zo zou ik niet bang zijn.
Met hem te sterven, zoals ik met hem leefde.
God, mijn God, waarom heb ik u verlaten?
De verloren zoon, was dat gewoon maar een verhaal?
Mijn stem is schor van het roepen,
mijn spieren zijn stram van de kou,
ik heb in geen dagen gegeten…
ik wil wel terug naar mijn vader,
maar ik weet zijn huis niet meer te vinden.
Commentator:
En het schaap dat zoek was geraakt,
liet de herder de rest van de schapen niet achter
om dat ene te vinden?
Judas:
Zoekt er dan niemand naar mij?
Ik wil niet meer leven,
maar hoe zwaar is mijn dood?
Hoe zou mijn leven zijn geweest
als hij me niet gevonden had?
Een tollenaar had ik kunnen worden,
een moordenaar in het ergste geval,
maar zelfs dan had ik op vergeving mogen hopen.
10
Commentator:
Zit er geen waarheid in zijn woorden?
Is hij de zondebok?
Als hij de schuld krijgt die de rest van de mensen laat liggen,
dan is een engel in plaats van een duivel.
Aanklager:
Laat hem dan de zonden van de wereld dragen
die door zijn toedoen onvergeven zijn gebleven.
Dan lost hij de schuld in van zijn eigen Gods verraad.
Judas:
De vrek zal ik er vinden
die geen kruimel overliet voor de bedelaar op zij stoep.
De moordenaar die zelfs in het zicht van zijn dood
nog geen berouw had.
De duivel zelf zal ik zien.
Volk:
Weerzien!
Hij jent de flonkeringen in zijn ogen.
Hij kent zijn fluisteringen.
Ieder woord van de duivel klinkt als een zweepslag.
39! Zoveel waren er nodig
om de kracht van de Nazarener te breken.
Een kruis deed de rest.
Commentator:
Wat wist hij van wat zou gebeuren?
Zijn daad was verraad.
Maar volk, jullie lieten je maar al te graag verlokken,
tot gejoel, geschop, tot moord.
Kijk naar jullie eigen handen.
Aanklager:
Laat hen.
Zij hebben nooit geweten wat ze deden.
Zij zijn als wieren in de stroom,
als halmen in de wind.
11
Judas:
Ik was ooit een van hen.
Als een halm vast aan de grond,
vast aan het dorp waar ik werd geboren.
Zoals een boom zich niet bewust is
van het pad waaraan hij staat,
zo wist ik niet s van het leven buiten
de grenzen van het zichtbare.
Volk:
De dagen begonnen en de dagen eindigden.
Wij deden wat moest gedaan.
Commentator:
Jullie spraken van een God,
wiens stem niemand had gehoord.
Volk:
We hadden wetten.
Commentator:
Waarvan niemand de oorsprong had meegemaakt.
Volk:
We waren gehoorzaam aan de priesters.
Commentator:
Die zeiden namens God te spreken.
Volk:
We geloofden de priesters.
Commentator:
Meer dan in God.
Judas:
Voor de meeste mensen was Jezus gewoon een nieuwe priester,
maar mij opende Jezus de ogen.
Ik zag hoe hij bad.
Zo had ik nooit eerder iemand zien bidden.
Achter zijn gesloten ogen was een licht te zien.
De hemel? God?
Ik probeerde het ook,
maar bij mij bleef het donker.
Petrus was beter in bidden dan ik.
Hij was Abel. Ik was Kaïn.
Op een nacht zag ik wat ik aldoor had gezocht.
Met gesloten ogen zag ik een glanzende stad.
Ik dacht dat het de hemel was.
Een schitterende lichtgestalte
nam me mee en toonde me zijn wereld.
Het was een slechte wereld.
Al wat Jezus had verkondigd in zijn preken
was anders dan ik hier kon zien.
Mensen zag ik die elkaar niet zagen,
die elkaar roepen niet hoorden.
Mensen die zochten maar niet vonden.
Kreupelen zag ik, armen, kinderen.
De hemel was nog erger dan de aarde.
Hoe kon Jezus zo’n hemel beloven?
Daarna durfde ik mijn ogen haast niet meer te sluiten.
Ik verborg mijn gezicht in moeheid.
Ik vluchtte weg in zaken en afspraken
en leerde zo de taal spreken van macht.
Commentator:
De taal van onmacht.
Dat moet Jezus gevoeld hebben,
hoe goed Judas ook zijn best deed om zijn geheim te bewaren.
Hij bad niet meer.
12
Commentator:
Een tijd ging alles tijdloos voorbij,
totdat Judas op een nacht opeens weer in die stad was.
Willoos was hij meegevoerd.
Judas:
De stad leek als nieuw, alles was goudlicht.
Iedereen was schitterend en rijk.
Toen ik dichterbij de mensen kwam,
zag ik pas de kille hoogmoed in hun ogen.
Zij zagen mij niet, ze liepen dwars door me heen.
Ik werd ’s nachts steeds vaker gehaald.
Het wende – ik leerde die wereld kennen.
Te laat begreep ik dat het Lucifer was die me steeds haalde.
Maar waarom mij? Waarom ik?
Waarom de anderen niet, Mattheüs, Jacobus?
Volk:
Bij hem was er dat smeulend kwaad
dat alleen maar hoefde aangewakkerd.
Judas:
Jezus wist het, dat voelde ik, dat zag ik
in zijn kijken en ontwijken.
Ik weet niet waarom hij niets zei, niets deed.
Hij moet mijn zwakheid hebben veracht.
13
Judas:
Ik kon niet anders meer dan hem verraden.
En Jezus had erop gewacht.
Hij daagde me uit alsof ik de duivel zelf was,
totdat ik zelf dacht dat ik het was.
Die nacht brak mijn geest.
Die nacht heb ik hem verraden.
Ik heb voor hem gestaan, hem gezoend.
Commentator:
Die zoen was toch het afgesproken teken?
Jij moest toch aanwijzen wie Jezus was?
Als Jezus dan zo’n onbekende was
dat hij moest worden aangewezen,
wat was dan eigenlijk het gevaar?
Judas:
Ik probeerde hem te redden, mezelf te redden.
Jezus begreep mijn zoen verkeerd,
zoals hij alles van mij verkeerd begreep.
Zag hij dan niet hoe radeloos ik was?
Waarom wilde hij mij niet redden,
en zichzelf?
We hadden moeten vechten,
we hadden kunnen rennen en onvindbaar zijn.
Ik stond als aan de grond genageld
toen ze hem wegvoerden.
Aanklager:
Hij keek niet eens om naar het vuil dat je was.
Commentator:
Het gejoel en geroep stierf weg in de duisternis.
Judas bleef achter in een wurgende stilte.
Judas:
Later, uren, minuten, rende ik door de tuin
op zoek naar Jezus.
Ik wist niet goed meer waar ik was
en wat er gebeurd was die avond
leek nog te moeten gebeuren.
De waarheid lag bedolven onder waarheid.
Ik riep uit angst,
gek werd ik van angst.
Ik rende, zocht Jezus, riep zijn naam.
Aanklager:
Of was het je eigen naam die je riep?
14
Judas:
Niemand vond me.
Dagen heb ik gezworven, zonder eten, zonder drinken.
De tijd had bezit van me genomen.
Ik was niemand meer.
Zelfs de duivels hadden hun interesse in mij verloren.
Judas, maar langzaam overgaand op de stem van het volk
Nu ben ik hier, schuldig bevonden aan verraad.
Voltrek dan het vonnis!
Kots me uit, folter me, stenig me,
verwens me naar de hel,
als Lucifer me daar tenminste nog wil hebben.
Donder me in de afgrond en gooi al de zonden
die ooit door jullie zijn begaan
maar achter me aan!
Verlos je van al jullie moorden, al jullie leugens,
al jullie kleine tekortkomingen en wees bevrijd!
De tijd zal wonderen,
nu Jezus er niet meer is om dat voor jullie te doen.
Een geweldige aarde zal het worden,
zonder kwaad, zonder dat gruwelijke Judasvlees:
een en al heiligheid, de hemel zal het zijn.
We zullen God verbazen met dit paradijs.
Gooi hem in de vlammen van de duivel.
Zie hoe hij brandt in het vuur van het eeuwig verlangen.
Dan draaien we ons om en vergeten dat hij heeft bestaan,
vergeten hij ooit heeft bestaan,
Judas, Judas van Iskarioth. |