De Kruisweg (tweede versie)
1
Hij nam zijn kroon op en ging
naar de plaats waar het moest
gebeuren, de plaats die lang
geleden was bepaald. In rust
liep hij zijn eigen gang;
hij droeg zijn eigen last.
Hij dacht aan hoe hij verwachtte
dat het zou gaan. Zo zou het gaan:
ze zouden huilen; anderen zouden lachen
om zijn leven, om het vallen en opstaan
van een reddeloze, die zijn krachten
verspeelde met doodgaan.
2
Ik keek iemand aan die stond
te kijken; een jonge, oprechte man.
Ik vroeg aan hem of, als het kon
hij met mij zou willen ruilen, dan
zou hij de goede aarde zijn, de grond
waarop gebouwd kon, de hoeksteen.
Hij keek me aan alsof
ik gek was. Misschien. Alleen een gek
zou zo omgaan met zijn eigen lot.
Mijn lot? Hij had gelijk,
alleen een gekke zoon van God
zou voor hen zijn leven geven. Ik.
3
Ik viel. Toen een man zijn vrouw
sloeg, viel ik, en toen een kind
om eten bedelde, maar iedereen gauw
weg zag kijken, Oost-Indische blinden.
Ik viel toen een man van kou
stierf onder een deken van wind.
Ik stond wel weer op, ik kon
mijn benen nog gebruiken, maar wie
hielp hem, hij, die daar op de grond,
die al dood was. Ik zag
nog waar ik heen moest, mijn mond
kon nog zeggen, wat wel, wat niet.
4
Dag mam, hier ben ik nu, uw bloed.
Het spijt me. Het is niet uw schuld.
Wees niet bedroefd om wat ik doe.
Herinner me. Als er straks zoveel valt
te vergeten, herinner dan het goede
onder het geweld van nu. Wees geduldig.
Dag kind, ik ben hier, jouw bloed.
Het spijt me, mijn fouten, mijn schuld.
Ik snap niet helemaal waarom het moet
dat je dit doet. Moest je.... Er valt
nog zoveel te zeggen. Mijn liefde, voel
het als een harnas tegen dit geweld.
5
Het duurde hun te lang; ik kreeg
hulp, van zo maar iemand, een man
die zo maar langs de kant stond. Hij keek
me met radeloze ogen aan, voor mijn lijden bang,
dat hij ook dat zou moeten dragen. Hij begreep
niet dat zijn leven ongevaarlijk was.
We kenden elkaars namen niet.
We spraken niet en raakten elkaar niet aan.
Even droegen we samen het hout, het hout
waar de dood op af zou komen, als een kraai
op een korst brood. Maar even was de dood
in verwarring, wie er bij hem dood zou gaan.
6
Mijn ogen raakten dicht, ik zag niets meer
dan opnieuw de dingen die waren gebeurd:
het geluk op het gezicht van de vrouw die weer
zag hoe ze moest leven; treurige
ogen die opbloeiden als bloemen. Bekeerden
zag ik, vrienden om me heen. Ik werd gevierd,
tot mijn gezicht met een lap werd bekleed
en ik zachte vingers voelde op mijn voorhoofd,
op mijn wangen en mijn ogen werden schoongeveegd.
Ik keek in het gezicht van een vrouw: troost
me, vroegen haar ogen, help me, geef
me de kracht om in het goede te blijven geloven.
7
Ik viel weer; het geschreeuw om me heen
was sterker dan mijn benen en mijn rug
leek te breken, zoals mijn wil geen
gewapend beton was gebleken, maar scheurde
toen het allemaal zo dichtbij kwam en een-
zaamheid ondraaglijk werd, toen ik wilde vluchten.
Toch vluchtte ik niet en toch stond
ik weer op om te volbrengen wat moest.
En, ik kon ook niet meer terug, de grond
was al onder mijn voeten gevaagd en de last
al onlosmakelijk op mijn rug gebonden.
De dood liep met me mee en hield me vast.
8
Waarom jij nou, die me leerde, me voorging
in die goede dingen, die me niet liet
maar vasthield en meenam, die me opving
als verdriet me bij de keel greep. Niet
jij zou me moeten verlaten, want hoelang
kan ik overleven? Wie redt me nu? Wie?
Kijk, kijk goed naar mij, maar kijk ook verder
dan deze dag die onontkoombaar eindigt
in het donker. Huil, maar huil ook om jezelf
want jouw lijden zal niet minder zijn
dan je kunt verdragen. Je verbergen
voor wat komen moet, dat kun je niet.
9
Ik wist het niet meer, ik wist even echt
niet meer waar en wie ik was.
Was ik die man die blind en slecht
ter been was, of was ik die man die hem genas?
Was ik degeen die sprak over het oog
van de naald? Wist ik van de hemel af.
Ik liep zonder meer te weten dat ik liep
en zonder het gegil te horen, het gevloek;
ik viel zonder te snappen dat ik viel
en zonder te weten dat ik weer moest
opstaan. Het was net alsof mijn ziel
al dood was. Maar dat was niet genoeg.
10
Had ik bezittingen gehad, grond, ik had
het hun gegeven; of geld, hier neem
en geef het uit. Maar nee, al wat
ik had was een gescheurd kleed.
En mijn lichaam en mijn bloed?
Die waren al vergeven.
Een gescheurd kleed; wie won het?
En, was het óók heilig, zoals de splinters
en de wade van erna en de weg
die ik liep en waar ik viel? Wie wint?
De soldaat, de volgeling, de wet
van het toeval? De ziende of de blinde?
11
Hier werd ik het, het lam
dat ik zag in mijn dromen, geslacht
op een kruis, met pinnen door mijn handen
en voeten; vrouwen en mannen lachten
en staken vuisten naar me omhoog: branden
in de hel moest ik. Zo was het, dacht ik.
Hier werd ik het, het beeld
van de man aan het kruis.
Nu is het geschreeuw verstomd en is het stil
geworden; alleen nog het gefluister
van het bidden aan mijn voeten dat het mijn wil
is die geschiede. Opgelucht gaan ze naar huis.
12
Het werd donker, de dag
scheurde als een doek
voor een tempelingang. Ik dacht
dat ik de zon zag vluchten, toen
ik niets meer hoorde, maar het was
mijn ziel die uit mijn lichaam voer.
Het werd donker, de nacht
van mijn leven brak aan. Kil
werd het. Alles, het lijden, het vechten,
alles was voorbij. Geen geluid, het was stil
als de dood. Had ik hierop gewacht?
Was dit nou wat ik wilde, Gods wil?
13
Ze namen me mee; zoals ik hen
had meegenomen naar de man
die opstond uit de dood en naar de mens
die doof was voor de woorden van
de wereld, maar wel de woorden herkende
van erboven, zo namen ze mij mee
om mij te laten weten dat ze het
hadden begrepen. Ze namen de man
mee die dood was, maar net
zoals de man van toen zou opstaan
uit de dood. Ooit zou hij zijn doodsbed
opnemen en wandelen; zo zou het gaan.
14
Hij nam zijn kroon af, en hing
hem aan een spijker in de muur.
Het was volbracht, de mensen gingen
weer naar huis, waar het vuur
aan moest en gegeten, de gewone dingen;
de ongewone hadden lang genoeg geduurd.
Hij dacht aan hoe hij had verwacht
dat het zou gaan. Zo was het gegaan:
het ademloze wachten, het zachte
huilen. Hij keek uit een raam
en zag het goede van de nacht:
de rust van berusting, de maan.