Lucebert

Vijftig jaar geleden zocht je
de taal op in haar schoonheid.
Hoe zal dat gegaan zijn: klopte je haar deur open?
Lachte ze, verblindden haar ogen het jouwe?

Zo zal het gegaan zijn: ze was ziek van eenzaamheid.
Overweldigend was je glimlach.
Je nam haar mee onder je voorwendselen en ze werd jouw bruid
om nooit meer terug te keren naar haar eerste huis.
Ze sliep verborgen onder je tong en liet je watervallen.

Maar nu.
Nu jouw tong vergaan is, waar
is de taal in haar schoonheid gebleven?
Jouw dood hebben we, met al die woorden er bovenop,
al die portretten die je van haar hebt gesproken,
maar waar is zij. Verzwijg jij haar laatste woorden
als een keizer alles in zijn graf?

Wat moeten wij schrijven? Welke woorden kunnen wij gebruiken?
Nu de schok van de doodschrik voorbij is, blijven wij alleen
met mooie monden achter.
De taal in haar schoonheid is weg. Ja, de taal
in zijn zakelijkheid, die is er nog
en de taal in zijn algemeenheid,
maar die lachen amper schamper.