tvb
De aarde baarde de bomen:
de kersenboom der liefde,
de pruimenboom der schoonheid,
de perenboom der toekomst,
de appelboom der kennis.
Het werd feest. De mensen
vierden zorgeloos het leven.
God strooide beloftes uit
en de duivel versierde
met serpentines de appel.
Het was feest.
Dat was ooit.
Maar de aarde verzwakte en
de bomen vertakten zich
met wortel en al.
Zuurstof werd oud, water werd grauw.
Nu hebben we kreupelbos
vol kronkelhout en weggeslagen
bodem onder ondoordringbaar bladerdek.
gma
Met hersens bekroond.
Gezegend met zin.
Begiftigd met voelen.
Bezaaid met talenten.
Gewikkeld in huid.
Geblootsteld aan tijd.
Gehouden voor hoog
en bij laag geduld.
Begenadigd met taal.
Hij noemt zichzelf mens.
De gedachten die hij bezit
noemt hij kennis,
gedachten die hem bezitten
noemt hij gevoel.
Het gegroeid zijn in elkaar
van zielen noemt hij liefde;
als niet zielen maar lijven
gegroeid willen zijn in elkaar,
noemt hij dat lust.
Het gesnapte slechte
noemt hij duivels,
het ongesnapte goede heilig.
De éénrichtingsgevoerde dialoog
met God noemt hij gebed;
de éénrichtingsverkeerde dialoog
van mensen onderling
noemt hij onderdrukking.
Het ademende lichaam
noemt hij levend. Als niet
het lichaam maar de ziel
leeft, noemt hij dat dood.
abc
Een registreerballon werd opgelaten
om te meten de Goddichtheid.
Geroezemoes werd waargenomen, engelenruis.
De wind was gunstig, we zagen
dat het goed was.
Projectiele woorden
in de vorm van een vetgemest gebed
werden de hemel in geprezen.
Door lege kelen nagekeken tot
het intreden van de radiostilte.
Nerveuze wijzers telden de tijd.
Lege handen wachtten ongeduldig
op de regen van wonderen.
Toen vielen uit de hoogte
de woorden gereïncarneerd in de monden
van goede verstaanders
en werden onhoorbaar.
rsu
Er was eens. Het woord
liep lachend,
stralend vivace, in de klauwen
van de taal.
Waarheid werd bedolven
onder een korreltje zout.
Nu hebben we werkelijkheid.
Chaos is het, wirwar.
Er zijn te weinig ogen
om waar te nemen.
Er zijn te weinig monden
om weer te geven.
Het is niet meer zoals het is.
wlm
De fut is erin, de ene doodgoeie ziel
na de andere ziet ongehoord
het licht en vecht uit volle borst
tegen het donker.
Maar al lachen we als dwazen
de dood uit in zijn smoel, al smeken we
het onderste uit de kan, al huilen we
vast onze lijkvazen vol,
het is leven tegen de bierkaai.
Begraafplaatsen groeien als vuilnisbelten,
de dood groeit als kool.
Een doodenkeling wil nog wel eens
heilig worden of duivels, en zijn naam
als een speer ver de tijd in werpen;
voor hen komt de dood langzaam
in de vorm van vergetelheid. Van eeuwigheid
hebben wij mensen alleen maar het woord.
bkz
We oculeren waar we kunnen want het leven
moet genomen en maar doorgaan
dus we lijven alles in met longen leeftocht
en met monden zoete koek,
verfrissen regelmatig onze lust met blote ogen
want gelukkig duurt het langst,
totdat er iemand van dichtbij het licht
niet breekt en sterft.
Plompverloren zijn we naaste nabestaande,
valt aarzeling en onbegrip ons aan
of in de schoot en hoe we moeten troosten
zijn we prompt vergeten.
Doodgaan is niet meer van deze tijd.
De nacht was nooit zo zwart.
cdf
De bovenaardse vrede broedt de oorlog uit
die ligt bedolven onder dode misverstanden.
Het potjes gepredik van bovenste beste mensen
wakkert de lieve lava
alleen maar aan de boze lippen van de ruzie.
Het bovenste knoopje van de vulkaan
staat al open van eruptie,
terwijl een faliekante druppel van de krater
aan de rand baldadig bengelt.
Huisjes, boompjes, beestjes zullen sidderen.
ggh
God gaat Zijn gangetje, het grote
scheppen is gedaan,
het is nu alleen nog maar aanstippen
en bijhouden.
In de hemel is alles pais en vree.
De fuiken van de dood
zijn uitgezet en de zielen stromen binnen.
Het full-colour bolletje aarde
draait zijn rondjes en haar toekomst
ziet er veelbelovend uit.
Er waait een stevige moderne wind.
Ja, ze kan een voorspoedige tijd
tegemoet zien: opklaringen, met hier
en daar een aardbeving.
uvz
In de put, als een surprise gevangen,
onder de wereld gevallen,
als Jozef of zo, dan heb je zoveel verloren
dat je niets meer kunt verliezen.
De tijd loopt rondjes wacht
om het gat waarin de lucht
van licht tot nacht te zien is.
In het donker zie je er voorbij:
sterren, planeten; dan zijn je ogen vrij
en droom je dat je de schenker
laat leven en de bakker dood.
Plots valt er een steentje bij je
op de grond, een zaadje hoop,
dat ontkiemt in vruchtbare aarde.
krk
Een steen doet zich niet anders voor
dan hij is: van buiten
is hij even steen als van binnen.
Hoe anders is een mens:
zijn beet is van het beest, zijn aai
is soms goed, soms kwaad;
zijn lachje hachje is angsthard, zijn kus
kan een mond vol tanden zijn.
Zijn bikkele kunst is dansje leven.
De steen in het water maakt kringen
die in elkaar passen als Petroesjka's.
En de mens: zijn kringen in de tijd
worden wel groter en groter, maar
zijn soms vierkant tegen zichzelf.
laz
Het Bengaalse vuur van de hel
brandt onze vingers niet,
laat staan onze ziel.
De gymnastische slang om een boomstam
is Satan niet, maar een doodgewoon reptiel.
Serpent is een puzzelwoord,
Lucifer is ingeburgerd als een houtje
en knoflook is alleen nog maar gezond.
De duivel is zeldzaam geworden
en net als de reuzenpanda
met uitsterven bedreigd.
De eerste actiegroep is al opgericht:
"Redt Beëlzebub, giro 666".
Er is geen tijd te verliezen.
arw
Zie de mens, het dubbeltje op zijn kant:
een da capo dader met
cumulus problemen, dus een dito slachtoffer;
of een vreemde wat met ach en wee
naast een machine macho
met een nota bene machtig lopen.
Of een vrouw, een bron die interest heft
op haar welwater; haar lippen
zijn al nat, haar dijen kletsen
geïnteresseerde mannen binnen.
Zo'n man, eens amant dan spijtoptant:
boete wordt zijn boezemvriend.
Vandaag is zijn belofte groter
dan zijn oog. Maar morgen?
Zie de inepte mens.
bbl
Hé, tromroffel wondergod, doe eens
de grote verdwijntruc
van de tumtummetjes-tumor uit de borst,
of geef de blinde nieuwe lenzen.
Nee, maak de grap van het wijnwater.
Hé, woordengod, laat
nog eens een braamstruik praten.
Lukt het niet?
Laat dan hier de zon eens schijnen
of laat het regenen
waar het altijd droog is.
Dat is toch niet zo moeilijk.
Hé, god van de vetpot, je verstaat
de kunst van het kuddevoeren goed
als alles meezit, maar je kuddert
als de tijd je lichtstraal breekt.
Dan blijkt het vangnet onder de trapeze
mandje-lek en de hemel-act
te hoog gegrepen.
oqs
Engelen overschrijden de deadline probleemloos
zoals vogels de landsgrenzen,
maar voor sterfelijken is er geen comeback.
Sommige mensen naderen angstvallig en struikelend
het einde, schuifelend van tijd tot tijd,
met tastende handen voor zich uit, alsof ze
elk moment op een onzichtbare muur kunnen stuiten;
ze hopen terug te kunnen als ze op tijd
de scheidslijn voelen tussen hemel en aarde.
Anderen rennen hun leven lang
zonder het te weten vlak langs de kant
van het leven. Zij zijn niet bang.
Uiteindelijk rennen ze een keer de dood in
alsof het de branding is: in één keer door.
Er zijn er ook die stil blijven staan.
Zij worden gehaald.
Een enkeling probeert zijn ziel
zo duur mogelijk te verkopen.
Maar met God is het slecht zakendoen.
nvc
Corpus en kist,
bidden binnenpraat, microfoonwoorden,
zingen, kleine en grote tranen,
beleefde knikjes van buitenstaanders,
bloemen, geen applaus,
zo doen wij de dood.
Maar ginds,
al door de corridor,
de dwangbuis tussen leven en Leven,
beleeft de ziel zijn groot encore,
zijn hemeldebuut.
ddm
God, veelkoppig en onschatbaar
doet de tiran logica verstommen:
de satraap eindigt dramatisch
als een gekortwiekte molen.
En het kantje-boord gevaarte wijsheid
wordt gered door de boei die God verankert:
het schip ligt stil zoals de storm.
Maar de boeienkoning mens,
de despoot, hij denkt, dat hij dus weet:
hij is de wankelste op aarde.
God zoekt hem, dood of levend.
Het donker wordt verwacht, met hier
en daar de lichtval van een Seraf.
erk
De vader, goede jager, gooide eens
het magistrale Nazareense aas uit
om argeloze gelovers te vangen.
De alter alwetende
biedt zijn giftige giften aan,
presenteerblaadjes geluk
en zet hemel op aarde vallen.
Steel de roos van de dag, zegt de een;
pluk de dag kaal voordat hij begint,
zegt de ander. Moeilijk?
We geloven moeiteloos achter de meute aan.
bde
We staken de spitsen in wolkenborsten;
we vreëen fundamentje
met wolkenkrabbers en glazen kastelen
en lieten onze tenen kussen
door schamel gehuiste met schuttingen en schuren.
We groeiden steen voor steen
uit onze voegen; wij, de klaterkathedralen van de wezens.
Maar we werden klokdronken
en onze wortels schoten door; we moesten verpoot.
We stonden aan de voet van de hemel.
We stopten een uitloper in de snavel van een duif
en stuurden haar de dood in.
Ze is nog niet terug, maar we hebben goede hoop.
zzb
Wij, perpetuele pappenheimers,
van oorverdovende oorsprong met
hartverblindende gevolgen,
vinden we de God in de pot?
De kakofonische rede valt nu
zelfs de ommetjes gebeden in de rede,
en kerken worden in kerkers gejonast;
we retoucheren onze omhulsels
en roken de ziel uit
met onze jantje-van-leiden leventjes.
Maar de omnipotente is een omnihoor:
de geboorte van een zucht,
Hij hoort het,
een scheur in een hoogmoed,
de hand aan de tand, de slik
in het donker, de snik van een ik,
Hij hoort het.
We vinden God in de doofpot.
cek
Betoeterde heersers bazuinen
hun gebazel rond
alsof het geparelde adem is,
en al is het niet meer dan pimpel,
de beteuterde knechten luisteren goed,
want het handje briljantje
van de macht is nou eenmaal witter
dan het handje zand van de onmacht.
En ze buigen voor de voet, de grote voet
van de keizer, zo rijk geëmballeerd,
die voetstappen maakt om van te juichen.
mva
We schrikken ons het apelazarus
van het apegapen moment
dat de dood roet gooit in ons leven.
Maar als de laatste loodjes glimlach
op ons koud gezicht gegrift staat en we opstaan
als Gods apengatje, dan geven we
graag ons lichaam aan de zwaartekracht
en laten het ivoorzwart
van gisteren zinken
in het zinkwit van morgen.
qdf
De meester maakte Zijn meesterwerk
uit dode tijd en materie:
Hij deed ons opstaan als één mens.
Hij gaf ons een ruggegraat vol God
en zevenendertig graden leven.
Toen waste Hij onze handen in onschuld
en gooide ons ver de vrijheid in.
Daar zijn we nu.
En soms leven we. Soms gaan we dood.
erm
We scannen aura's, leggen zielen bloot en vallen
van verbazing en bravo.
Maar we dragen het donker naar de duisternis.
Ons design schittert
bij daglichtlampen en we juichen
in onze skai-hy-driezitters
als de applausmachine met de blik op oneindig,
zegt dat we moeten juichen.
Onze buikspier trekt zich samen als de baarvader
ons roept. Maar horen
doen we hem niet. We horen wat we willen horen, dat
de toekomst weer toekomst heeft:
het technisch gras is zacht en ruikt naar dennen.
wva
De God-grondstoffen raken uitgeput, De Golgotha-God
lost op in Zijn bunker:
we moeten de wangen die terugslaan wel kussen,
we moeten de mond van de afgrond
wel tongzoenen en bedekken het uur van de waarheid
met het uur van de leugen.
Memory mensen, eens één bij één maar nu vergeten vreemden,
zijn blinden van elkaar geworden,
individuen, één na één, geleideherders zoekend in de schappen
van de wetenschappen. En vindend.
Tevreden klanten volgens de wetten van de marketing.
ffq
Wie kent nog de krachttaal
van God en gebod?
Welke tolk vertaalt nog de klanken van licht
en wie vertolkt nog
de ondeelbare woorden, onhoorbare woorden?
De man op de berg?
De man in de mand? Het kind in de man?
Wie bruist er van luister
om de glimp die te zien was?
De vrouw bij de bron? God in de mens?
gmz
In de heilige driewerf werden we tête-à-tête
met de godlepel ingegoten,
gesmeed uit waak en slaap, en ter aarde gelaten.
Sindsdien vaart het schip mensheid
op de grote welvaart wissewasjes.
Maar het schippert in de golfslag,
adem dreigt storm te worden en tijd wordt vergoten.
Testamenten worden rampenplannen,
wijn wordt water. Alle hens aan de mens.
tfm
De schorre zang van de zandloper schuurt het oor.
We slapen liever in de schoot
van de schoonheid en bedrijven tierlantijntjestijd,
zuurtjes uurtjes enzovoort.
Een neus drijft voorbij, niet de onze; een oog
zoekt ons, maar wij verstoppen
onze ogen stevig in het holst van het monster.
Als ik mens was, dan zou ik de God
van de zevende hemel
aanbidden, de Godste, de polyfoon
die wondert.
lvl
Zoals achter de wolken de hemel, zo gaat
achter een fragmentarische sluier
een Schuilgod. In onze lege ogen filteren flarden triomf.
Een verdwijnpunt verder daagt
een opblaasgod, stralend van techniek en schrale troost.
En wij, mensen, verzamelaars van zaligheid,
kijken in het namaaklicht en vullen onze ogen met zand.
ssm
Een beschimmelde oorlog,
oud nieuws, vernieuwde doden,
het huizenhoog woord van een reus
van een naam, wie wat bewaart...,
een oneerlijke vrede,
een goudeerlijk geloof,
het slecht verdeelde nu,
en nu en nu,
en het hier met mooie ogen,
en het daar:
van kliekjes maakt
de machtige machine van tijd
haar monster van toekomst.
nof
Hij gaf ons de vrijheid van Zijn handen
maar wij begrepen het niet;
we grepen eigen vingers en maakten ze tot tralies.
Toen gaf Hij ons Zijn licht
om zo de weg te vinden, maar wij
brandden ons gezicht.
We kennen nu de praal van het verhaal
en de pracht van de route
langs versterving en toeristisch gebed,
maar het vals plat
van ons verstand bleek een tantalusgift.
cco
De ploet over plag en de zwoeg van tergend
getraag door klei en wei,
getrek over steen en breken de pluk
van de dag; de kracht van gelag,
de hoon om verstand en de klacht
van het been in schaduwval,
de botte nacht, om dan de bocht om
van licht en verlossing.
ijo
De rondstokkende variaties op broeder en hoeder
offeren hun pneumatische roffels
aan de grote vergeet-me-niet monarch:
waar de zware kuch oplucht
ontmoet de poeha-hoempa roep van mum
de zwaartekracht, en de gunst
van het geluk de kilheid van de afgunst.
Mens is mens en moord is wet.
ooz
De zaaier, hij zaait. En wij zijn de vruchten
die groeien op de bidbanken
in de bidfabrieken, de placenta's, verankerd in de rots.
Glas-in-lood-priesters voeden ons
op tot foetussen en brengen ons ter hemel.
Maar de wereld, de winkel, zij schittert
van broodnood en afzicht. Ze paait
de lieveheersschaapjes tot stukken
die kwaken van wellust en onmacht.
nkr
Wij, Gods klonen, leven met ons hele
habbekratse hebben en houden
op de bodem van de hemel, waar de neo-Nero's
de vrijheid kennen van het kwellen,
waar de schone Adonis zijn schijn laat aanbidden,
waar we goed kunnen zijn, of gek,
waar me mogen geloven wat we willen, als we willen.
We zijn vrij - in de kramp
van kortstondigheid. - We zijn vrij -
binnen de tralies van de tijd,
want alles wat mens is, van pril en onnozel
tot de Methusalem, komt ten slotte
voor eeuwig te wonen in Gods dodenmetropool.
pta
Incognito-God speelt het spel met ons
van de zeven knikkers:
het wordt hier de omgekeerde hemel,
met het vallen en opstaan
van engelen en doden.
Zondebok engelen spelen voor mensjes
en voeren gesprekjes en
bij de dood is het opperdepop.
Mensen krijgen het donker voor niets.
Maar dan krijgen we meelicht:
de doden ontbinden de dood en worden
weer levend met knikkende knieën.
We mochten het winnen.
gvw
De hupsakee man en de hupsakee vrouw
met hun honniepon honneurs,
met hun holderdebolder gebruik van de dag
en hun hocus-pocus vermogen,
met hun ziezo voldoening en hun hè van genot:
inwoners van vleesland.
Maar geestland, waar de tammen lachen,
waar de muil een mond is
en betekenis betekenis: moet die man
daar niet zijn? Moet die vrouw
daar niet zijn? Moeten die kindjes,
de troeven der toekomst,
daar niet toeven tot het uiterste?
sar
Alwetende God op de erwt: geen flirt
met de fnuik ongemerkt;
van de hand de gap ontdekt en van de mond
de minste laster. Maar Zijn mededogen
is immens en het berouw van de lapzwans
is als zalf op Zijn lichte huid.
Kom, heilige, met je hart dat uitsteekt
boven je schouders, en jij profprofeet,
kom, randman, kladmadam en moederkoekoek
met je pruikgeloof, dan kruipen we
allemaal door het oog van de meester.
cfm
Knibbelbidders in vredestijd, maar,
o wee het oorlogszaad,
als het ontkiemt en toverboont,
dan metamorfoseren we:
kerkvreters worden we. Overwoekerd
veranderen we van op zichzelve mensen
in schapen, geschapen naar het beeld
van de herder; zelfstandige benen
dragen niet meer en worden weeë lemematen;
handelhanden worden spartels
die ten hemelwolken slaan voor hulp, voor wraak.
Tot de oorlogsbui gevallen is
en de altaren opdrogen in de zon.
ess
Mensje, mensje, luttel licht,
wees tevreden in je paradijsje
dat je wereld noemt;
lach in je nopjes,
maar weet, manusje van niks,
zonder kleren ben je niet de man,
niet de vrouw,
zonder geluk ben je slechts
een hoopje klamp,
en zonder adem leef je nog
geen tien minuten.
wre
Weliswaar hangt boven de cirkel van het circus
een slangendak. En niemand op dit feest
heet Adam of Eva. Op de trapladder van de trapeze
staat geen engel. En de acrobaat is Jacob niet.
Het zandoog is geen veertigjarige woestijn en
kamelen hoeven nergens door te kruipen. De directeur
is maar meneer, dit is de wereld, en toch
echoot hier de hemel nog een beetje.
tlo
Een deur gaat open, en met het baren
komt het eerste licht naar binnen;
opalen ziel ben je, verborgen onder huid en haar.
Je leeft als een spons die weten opzuigt.
Opsmuk zoek je, opake mens, ouder en grauwer,
vel over vlees en vol tot de deur
van het licht zich sluit en je opgebaard
achterlaat en je naam laat vergaan.
dde
Bruiloftswijn bloedt makkelijk
in gastvrije monden van gasten;
geluk wordt vriendschappelijk verdeeld,
rijkdom is een gouden lok,
maar het blote water van verval
valt eenzaam in de put.
De Job, levend op een bochel aarde opgebaard,
uitgejoecheld, lijpgeloerd, door likkepotten
aangewezen als de luis op de bok,
stelt zijn hoop alleen nog op God:
Zijn vuist kan slaan, maar kan ook bloeien.
hii
Spiegel, o spiegel, wat zie je
in de dubbelloopse ogen van de twee-
dimensionale mensheid? Zijn we mooi?
Zijn we goed? Mensen, mensen,
wat een mensheid. We zijn mooi, we zijn goed
en glansrijk, wij de koningen der zielen.
Spiegel, o spiegel, wat zie je
in de valkuildiepe blikken van deze
gedoodverfde hemeltroonopvolgers?
We zijn echt knap, niet?
Spiegeltje, spiegeltje, priet.
jkn
Bestand tegen stoten, waren we klaar voor obstakels;
de tijd lag daar schijnbaar als een weerloos wezen,
maar ze was een zee, een koelstromend monster,
en wij waren het klapstuk van haar toekomst:
aanstootgevend riep ze als een maagd onder haar rok -
om hulp? We knaagden graag het zijden prikkeldraadje door
en konden alle kant-en-klare kanten op, behalve terug.
Verdwalend in gangen raakten we verstrikter steeds
verstrikter in de wortels van het kwade amen.
naa
Beken klotsen stroomopwaarts Babylonische bergen op.
Stedelingen, profetische beurslopers,
kotsen valuta op de giro.
Boekdelen spreken boekdelen tegen,
maar de spraakverwarring wordt glansrijk verslagen
door de logica en God
wordt aan het kruis geslagen. Trofeïsch
wordt Hij de stad ingedragen.
God is dood. Het feest duurt drie dagen.
uuv
Wij zijn de machtige mensen.
We spelen geestdriftig hemeltje-pik.
Wij zijn geen namaak-makaken,
wij hebben het brein; wij ontdekten
de kubus en het plezier van cylinders.
We zijn geen tamgeslagen lammeren,
we zijn de branie schapen met godvergeten
grote handen; we maken met gemak
een schepping en blazen zonder blozen
onze blaaskaken konen op. En overwinnen
tot op het bot van de vrijheid.
uam
We verhitten als de beste alchemisten
onze ikken om al gauw het eerste blinken
in de mond van de toekomst te zien. We lachen
onze zielpijn weg en worden van goed goud.
We zijn het gat in de hand van God,
die ons sprakeloos toesnakt en toeziet
hoe we onze hoge ogen gooien in het zand
en rondjes dansen om de as van onze eigen totemdood.
cdm
Kinderen kraaien de aarde
de grond in het graf en de graaf
van de nacht graaft zich een weg
naar olie, de heilige olie,
sacrament van de snelheid en weldom.
Hij slaat munt uit vuur en knikt
naar de koopkracht, knikt ja
en vordert het gas om te gaan
waar niets was, waar niets is,
zelfs geen hand voor het oog en niets
dan het niets ziet hij rechts en niets
ziet hij links dus hij gaat door het hart
van de rots en stort zich alles in stilte
die duurt maar die duurt.
kka
Knip de centen uit uw krentenkak
en sla een krater naar de hemel,
het grote oog van de compassienaald
ziet immers alles, alles van de wereld:
ziet door de bomen het bos,
ziet door de vingers de hand
en het hart in de keel.
Sla een slag naar het magerste jaar
en verwek een schamel dagdeel.
Leg het vlees in de waagschaal
en geef de geest de vrije geest.
lkd
Maak geen bokkensprongen,
lik de baard niet van het beest,
laat de zalvende rijkomzaaiers
met hun gouden palmen praten,
wees een man van de praktijk.
Eet je prakkie nu je nog
een vleugellam bent.
Als je eenmaal luistert naar de meimus,
krijg je feest van eigen deeg.
Dan serveert de hoogstpersoonlijke
een panklaar panorama
van een duurzame maaltijd,
het paradepaardjeparadijs.
crk
Gene godlof voor de fanfaron
die heel zijn fabuleuze fantasie
met zoete koek bepoedert.
Gene godlof voor de boeba
die zijn poedele toeters en bellen toetakelt.
Gene godlof voor de vraataars.
Gene godlof voor de boezemvriend,
de geilsik die met een gaps gerief
geen genoegen neemt.
Gene godlof voor de lokker
die zijn amor zoekt in amoretten.
Gene godlof voor de mot
die schuilt in de mozetta.
Gene godlof voor de bot
gediftongeerde galtong
die boete spuugt en radbraakt,
zonde tatoeëert als lijfspreuk.
Gene godlof voor de zot
die bokkenbijzit en bevreemd is
met de bijster.
mmn
Hij, die in de boze bijbel woont,
Hij bast en titst ons
bij vergrijpen op de tasten,
drijft ons stikkedonker;
Hij slaat ons hard, ons hart;
Hij slaat de talenmens tot stamelens
en stekeblindt de hand voor ogen,
Hij schaaft de zachtste huid
tot zwerenmoes en tumort en gebiedt
tot op het bot, tot in het uiterste,
de duizendste kiem,
tot aan het allerlaatste tot-tot-toi.
ufc
De ja ja dolus cabaleur stijft op
de witte boorden van de geestelijke lijders,
draagt de zware kandelaber
van de domheer naar de hoogste toren
waar de misklok zal gaan luiden,
brengt de deken naar de slaapstee
en oreert de kardinale zinnen naar de mond
tot Dominus de malus mores leert.
oro
Engelen gezegend hoog en grote enge,
stralende van staallicht dragende
de hemel naar je voeten engelen
die staan of zweven, gaan waar wij
niet kunnen met ons vlees
nog aan de ziel geleefd
en bij ons waken waken
tot de slaap ontwaakt
de wereld open van de geest
vol plaatsen ongeweten en vergeten
in het daglicht
zingende en zingende en zingende.
utu
De weg is zo
maar wij gaan zus en zie
er lijkt geen kant meer
op de beste maar gewoon
een voetstap voor
een ander en erachter
komen dat je bent
gevallen en drie dagen
niet hebt kunnen opstaan
en vergeten
dat de weg je ophielp
en je voorging
naar het licht toe
van de morgen.
kaf
De lichtdragers blazen ons in uit
heinde en verte tot vel
over vlees met naam en goede taal
maar de kletsmajoor doet ons
ons woord verspreken tot een vloeken
in een spel met monden
in zijn vuistje maakt de mensen
onmacht machtig mooier met massacre
dan mascara ooit de oorlog
op het orgel in een grote terts majeur.
sot
Wij zijn geen afbreekbare zielenpoten meer
met het vel over krakenbeen getrokken,
maar wij wijzen elkaar
naar de kop en bewijzen het brein
de liefde voor het denken
dat we vinden in de schedel,
het hoogste goed of slecht
waartoe de mens in staat is.
We geloven prijzen uit
voor wie het meeste durft te weten
van de oorzaak van het leven
tot de dood een ziekte is
die kan bestreden.
zwg
Laat de lanterfant maar zwanzen
en de Jeremia’s lamenteren,
laveer tussen zwelgen en zuigen,
tussen hebben en houden
in het zweet van de buffel
in het licht van de lichtboom
zult gij rusten in het lichte lichtblauw
in het oplichtend licht van de lichtstad.