Portret van Anthony Reiniers en zijn familie

Dit is een portret van een onbekend gezin,
een man, een vrouw, hun kinderen;
al driehonderdzestig jaar zitten ze
aan tafel zoals ze nooit gezeten hebben.
Hun zondagse gezichten, rijk aan dekkend wit,
staan al die tijd alsof.

Het kleinste kind, een baby nog, zit dik
duur ingepakt maar krijst niet van de hitte;
ze staart in niets zoals soms oude mensen.

De man, links, kijkt de schilder  wantrouwend aan,
maar de schilder laat hem niet spreken wat hij denkt.

De schilder buldert, zonder zijn ogen
van de verf af te wenden, naar achteren,
als een kelner met een dienblad vol met warme kleuren,
naar een leerjongen die pigmenten mengt met olie:
Kasselse aarde, twee gram karmijn.

De familie is nu weg op het meisje rechts na.
Zij zit een beetje zoals ze zal zitten,
haar arm onzichtbaar rustend op een stok,
maar het is alsof ze er niet is, niet meer aanwezig
dan een vaas in een stilleven.

De appel die ze vasthoudt is beurs
en haar rug doet pijn, maar ze durft niets
te zeggen. Soms trekken spieren
zich op eigen houtje samen, zoals vlak
voor het slapen. Maar de slaap zal haar
niet halen. Niets en niemand zal haar halen.
Ze zit vast in de ogen van de schilder
en die laten haar niet los.