Ode aan alles

Wat ben ik in vergelijking met jou? Een kruimel,
een zandkorrel, een verwaarloosbaar blad
vallend van een boom?
En toch ben ik onmisbaar. Zonder mij
zou je niet alles zijn, net zo goed
als dat je zonder de zee incompleet zou zijn,
of het heelal en al hetgeen
waar wij weet van hebben, de toekomst,
het verleden, de gedachten die er zijn,
de druppel die steeds opnieuw uit kranen valt,
de mug die zo irritant zijn leven leeft,
de woorden die geschreven zijn en zelfs
de woorden die geschreven hadden kunnen worden,
of, noem maar op.

Slechts één ding mag niet meedoen.
Het woont op een onbestaanbaar plekje
ergens op een onmogelijke wereld,
in een ontijdige tijd: niets.
Soms kijkt het naar je, met de trots blik
van verstotenen. Dan zie je in zijn ogen
het leed, al het leed dat ooit geleden is,
alles, werkelijk alles.
Heb je dan geen mededogen?