Ode aan de hoogte

We zijn onbereikbaar. Ik kan op mijn tenen gaan staan
of zelfs een toren beklimmen en jij
kan naar beneden huilen, we zullen niet eens begrijpen
hoe ongrijpbaar we zijn voor elkaar.
Ik schrijf deze ode aan jou, niet omdat ik
zo vreselijk tegen je opkijk of wil zijn
wat jij nooit anders bent geweest. Nee, dat is het niet.
Ik hoop dat deze ode iets in je losmaakt
en dat je iets loslaat van hoe het is.
Vertel me hoe het is om niet bang te hoeven zijn voor vallen,
dan vertel ik zo goed mogelijk hoe het is om wel.
Zelfs als je stevig beneden staat, kan je het voelen, de vrees.
Mieren, kleine dieren verwachten, vanaf de seconde
dat ze adem halen, ieder moment te worden doodgetrapt.
Het wachten duurt. Totdat het zover is.
Je kunt ze uit hun wachten verlossen door ze dood te trappen.
Bij mensen is die angst niet wezenlijk anders.
We geven het een naam in de hoop dat het helpt.
Jij kent die angst niet. Jij hebt geluk met wat je bent,
al zul je eenzaam zijn, alleen en onbegrepen.
Hoge bomen vangen veel wind, zeggen wij,
maar we hebben geen idee.