Ode aan de seconde
Als een spierinkje ben je, nee, kleiner nog,
als een planktonten drijvend onderaan de voedselketen
in een zee van tijd en word je verzwolgen
door jagende minuten, tijdrovende dagen
en zelfs kolossale eeuwen.
Hoe minuscuul je ook mag zijn, ze kunnen
geen tel buiten je.
Een aanhanger van je, meneer ademhaling, zei eens
dat hij grote waardering had voor jouw interne metronoom.
Maar hij vond je ook star, nauwelijks van deze wereld,
als een ster steeds verder in de ruimte trekkend
en tegelijk stilstaand in de zwarte hemel.
Maar wat zal je weten van sterren.
Een ander, mevrouw hartslag, zegt regelmatig
bij je in de buurt te zwemmen in haar eigen bloedstroom.
Ze houdt van de stilte om je heen,
al kan ze je ook saai vinden.
(Ach, misschien ben je wat gelijkmatig.)
Je hebt ook tegenstanders, wist je dat?
Je wordt zelfs gehaat: hardlopers
die je uitdagen en je proberen dood te lopen.
Je wint zonder het te weten.
En alle mensen, alle mensen, wij drinken je,
slurpen je gulzig weg, dag in, dag uit,
totdat we niet meer kunnen.
Volgedronken hangen we dan op de bank en proberen
tevergeefs de laatste uren uit te boeren.
Maar eenmaal in ons begin je te knagen
als een mijnwerker in donkere gangen.
Langzaam, onvoelbaar, maar gestaag.
Soms gaat het makkelijk, als een lichaam broos is,
en soms lijkt er geen doorkomen aan.
Maar uiteindelijk is er geen lichaam bestand
tegen jouw tand. Je knaagt en knaagt
totdat opeens een gang instort, en nog een,
en nog een....