Ode aan de twijfel
Niet lang geleden was ik zoekende.
Het zoeken sterft bij het vinden,
zei je toen tegen mij.
En je lachte naar me
met die onzekere mond van je.
Het was niet te zeggen
of je me uitlachte of juist toe.
Ik geef toe, het was dom.
Ik had het in het midden moeten laten,
maar ik vond je
onuitstaanbaar en ik besloot
dat je me uit had gelachen.
Wegen die daarvoor nog
lange armen waren naar de verte,
werden afgehakt door grenzen.
Deuren die daarvoor nog
uitnodigend open hadden gestaan,
sloegen dicht als muizenvallen.
Ik kon geen kant meer op.
Eerst was ik blij dat ik blijkbaar
gevonden had wat ik zocht,
maar later voelde ik me beklemd
en zelfs gevangen.
Ik begon boos te worden
op de dag en op een avond
vond ik mezelf slaand op een deur.
Toen deed jij open, twijfel.
Ik viel je om je nek, zo blij was ik.
Je troostte me en lachte naar me
met die onzekere mond,
die alles kon betekenen.
Je nam me aarzelend mee
naar een volgende deur
en liet me voorzichtig zien
hoe hem te openen.
Lucht en licht overstroomde me.
Ik ben je nog steeds dankbaar.