Ode aan het geweld
Ik zag u laatst,
ik zag u voor het eerst
met andere ogen;
ik zag u in het park,
zittend op een bankje,
verzonken in gedachten.
U was zó sereen,
zo geweldig verstild,
evenwichtig, een bron
van rust en weldaad.
Ik kon mijn ogen niet
van u afhouden,
minutenlang heb ik
vol bewondering
naar u zitten kijken,
net zo bewegingloos als u.
En in die minuten
drong het langzaam tot me door
dat u in staat moest zijn
om uzelf volledig weg te cijferen,
om datgene te doen wat nodig is,
altijd het goede doel voor ogen houdend.
Ik zag opeens de noodzaak in
van een tik, de schoonheid
van een klap op het juiste moment,
met de juiste hoeveelheid stootkracht gegeven.
Ik begreep op dat moment,
de rust overnemend die u uitstraalde,
dat wanneer u iemand schopt,
u niet uw kracht gebruikt uit frustratie,
niet om uw eigen ego te ontladen,
maar om die dwalende ander geestelijk
van richting te doen veranderen.
U bent de herdershond van de mensheid,
die bijten moet om de schapen
op het goede pad te houden.
Die ook mij op zal inbeuken,
mocht ik een vals spoor volgen.
En als dat zal gebeuren,
dan begrijp ik het,
dan zal ik u niet vervloeken.
Ik zal dankbaar zijn als u me slaat,
en weten dat het niet voor niets is.
Dus als u me eenmaal moet corrigeren,
wees dan niet voorzichtig.
Sla me hard, sla mijn ene wang,
en sla ook mijn andere,
schop me verrot,
sla me bont en blauw,
breek mijn botten,
want ik verdien het.