Ode aan morgen
Hij loopt voor vandaag uit
als een aankondiger voor de optocht:
uit de verte komen al de eerste grommen
van de trommels, de trilling in de grond.
Naderend minuut voor minuut
tot het geluid je overweldigt.
Fluiten, tuba's, trompetten.
De ingespannen blikken
van de jonge majorettes trekken
aan de dwanghekken voorbij;
de grote meiden spelen vriendelijkheid,
maar als je even meeloopt,
dan zie je al snel
dat ze onder hun gezichten
andere gezichten verborgen houden.
Zo leer je de mensen wel kennen.
Morgen niet. Die loopt voorop.
Nooit ziet hij wat wij krijgen te zien.
Dat lijkt zielig. Het lijkt alsof
hij zich opoffert, maar dat is niet zo.
Ach, hij kijkt wel eens om en lacht
om wat hij denkt te zien of huilt
als daar aanleiding voor is,
maar hij staat er niet bij stil.
Nee, hij is trots op wat hij doet,
op wat hij is: onmisbaar, onvervangbaar.
Niemand anders loopt zo regelmatig door als hij,
en niemand anders kent de weg
die tijd moet gaan zo goed.
Ieder ander zou zich vroeg of laat
een keer vergissen, een straat ingaan
die gisteren of ooit eens in een ver verleden
al een keer geweest was.
Een onvoorstelbare ramp zou dat betekenen.