IJsgang
Anneke Brassinga

Uitgeverij De Bezige Bij

 

Toen ik ‘Kleur de schaduwen’ van K. Michel besprak, schreef ik dat een dichter die eenmaal de VSB Poëzieprijs had mogen ontvangen boven twijfel is verheven en het sowieso waard is gevolgd te worden. Bij Anneke Brassinga kan ik hetzelfde schrijven, want haar bundel ‘Verschiet’ kreeg in 2002 die bekroning; daarnaast heeft ze de Herman Gorterprijs ontvangen en ook de Ida Gerhardt Poëzieprijs, en de recensenten wedijveren doorgaans in enthousiasme over haar werk en allen roemen ze haar inventiviteit en taalgevoel. Wat moet ik dan nog? Ik zou dit geschreven stuk dan ook liever geen recensie willen noemen, maar een beschrijving van een leeservaring. Overigens gebiedt eerlijkheid me om te zeggen dat ik bij eerdere bundels van haar hand zo’n leesbeschrijving niet aandurfde, bang als ik was om de plank mis te slaan, haar poëzie niet te snappen. Vergelijkbare angst bekruipt me als er in een groot gezelschap opeens het idee wordt geboren om het spel ‘Triviant’ te spelen, het spel waarbij er naar ‘weetjes’ wordt gevraagd en de spelers op algemene kennis worden beproefd. Wat is de hoofdstad van Marokko? Weet je dat niet? Welk land werd in 2002 wereldkampioen voetbal? Weet je dat ook niet ? Hoe heette de eerste naoorlogse Minister-President? Jij weet ook niks!
Ik heb het nu aangedurfd, ik heb ja gezegd tegen een bespreking van IJsgang, de nieuwste bundel van Anneke Brassinga. Zo nu en dan viel het me mee, soms vond ik mezelf roekeloos.

De foto van André Kertesz op de omslag van de bundel is prachtig. Een bovenaanzicht van een besneeuwd Vondelachtig park, waarbij de zwarte lijnen van bomen en bankjes, een ouderwetse lantaarnpaal en een ingepakte wandelaar in het wit lijken geëtst. Het woord ‘ijsgang’ lijkt door die foto geïnspireerd en door Anneke Brassinga te zijn bedacht, totdat het woordenboek me zegt dat het woord al bestond: gladheid bij ijzel of opnieuw bevroren sneeuw. De titel doet winter vermoeden, kou, glad ijs, maar duidt, meen ik, vooral op het soort levenstreurigheid waar vooral vrouwen last van hebben. Maar dat weet je nog niet als je de bundel begint, dan verwacht je sneeuw en ijs. Onverwacht is dan ook het eerste deel, Helleens voor beginners, een reeks van 6 gedichten die ze heeft geschreven tijdens haar waarschijnlijk verhit verblijf in het Nederlands Instituut in Athene. Wordt er in het openingsgedicht misschien versmacht naar de Nederlandse kou en vochtigheid?

Steeds

Is zee onvindbaar terwijl je versmacht
met stuivend zand niet mee kunt gaan,
liever stilstaat, zoutzuil, ergens op wacht,
bedrink je dan aan trouwe lucht –
niets oceanischer zoals zij breekt
haar licht als brood, in alle kleuren,
mild en steeds een schitterend droog water.

In de Aantekeningen lees ik dat in de bundel sporen zijn te vinden uit het werk van allerhande dichters en geleerden. Én uit het Oude en Nieuwe Testament. Natuurlijk doen de zoutzuil en het breken van brood denken aan die Testamenten, maar het is vooral het brede gebaar dat mij Bijbels aandoet.

In het tweede deel van de bundel een reeks van 4 intrigerende en taalrijke gedichten die weinig met sneeuw en kou van doen hebben, maar een compositie van Mozart als uitgangspunt hebben, de rokkenjager die zich in een van de gedichten als dissonantenjager uitleeft aan mollige begeleidingsfiguurtjes. Brassinga schrijft:

Ik ben het met je eens.
Liefde, in deze smerige wereld,
is een smekend fantoom
dat zich niet vangen laat, maar uit jouw zuchten
lieflijk en barbaars ontstaat
als regen, splinters van juwelen in de zon.

De bundel heeft 4 delen. Het derde deel heeft het bos als onderwerp, met daarin o.a. een gedicht over de gouden regen, een over de zanglijster – waarvoor je wel even moet googlen om achter de Latijnse benamingen in vertaling te komen – en een over een boom met op de achtergrond zijn eigen toekomst al zichtbaar in een bankje? Boom, is schrikbeeld: hij leeft. /  Is niet enig ander, is die daar, // wuivende zonder herkenning. / Boom kent geen genegenheid. //  Kijk hem krachtig in gedaante / zie daarachter al een schets // van wat je later worden zal / een ander, vreemd dood ding.  Het vierde deel is het rijkste, en ook in mijn ogen het meest interessante en energierijke, omdat ik bij het lezen daarvan zin kreeg om zelf te schrijven. Dat heb ik ook altijd bij het lezen van Lucebert; ook al heb ik vaak geen idee waar het in zijn gedichten over gaat, ik krijg altijd zin om zelf te schrijven. Bij tentoonstellingen hanteer ik een vergelijkbare manier van ervaren: als ik zin krijg om te zelf kunst te gaan maken, dan is het goed werk. Bij Picasso krijg ik altijd dat gevoel, maar ook bij minder bekende kunstenaars. En bij het lezen van Anneke Brassinga, omdat ze energie legt in haar woorden. Ze durft ook te experimenteren. Bijvoorbeeld met het afbreken van woorden aan het einde van de zin:

Had Gorter ook zo een last van drilb-
oren, stroomuitval op de fax en onopgewa-
ssenheid in het algemeen? Of zijn er geen b-
ij de dichters ook al geen broeders me-

Of de manier waarop ze alle taalregisters openzet om als haar bruidegom het Joodse Bruidje te beschrijven, waardoor er woorden ontstaan dat je wil proeven, die taalgeile lezers opwinden, die aanzetten om de Bijbel te pakken en het Hooglied nog eens te lezen, die doen terugverlangen naar een verloren tijd, die ons doen inzien dat in onze vrijgevochten tijd, vol koude porno, volgens velen het nieuwe Sodom en Gomorra, de taal van liefde het aflegt tegen de kille taal van commercie, ego en gemak:

‘Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief’

…het broderietje kruip ik over, ‘t kuise
blozende vergood ik, schroomvol ruisende
de rode gewaden als bijna-dode wingerdbladen
om haar heen, een ruif is zij mijn haverkist,
mijn stoof van suikering, de kozende struise
een struikje broos, ik heb mijn hand op dit
broodje gelegd – de ruiker van haar konen
rozen, zij is het blote fruit aan mij geopend,
ruigte van het toegedane, schoon ontluiken
in hoofs genegenzijn, o vroom beschuitje,
boterschaapje, vlam van dromerig verpozen en
de roze handen, roomsoezige blankte schuilend
onder inkarnate korenschoof van ’t grootste
bruidje, en ik gouden man heb lief dit alleen
aan de dood te verliezene,  glorende duifje.

 

Roodkoper, februari 2007 – 6/7