Anton Ent
Coolsingelwind
Uitgeverij Wagner & Van Santen
Nadat ik de bundel ‘Coolsingelwind’ van Anton Ent een keer als een roman had doorgelezen en even had laten liggen, beleef de indruk bij me achter dat de bundel hoofdzakelijk ging over afscheid nemen, doodgaan, achterblijven. Toen ik de gedichten opnieuw ging lezen en beter, begreep ik dat de meest toegankelijke gedichten inderdaad daar over gaan, maar dat daartussen een heleboel andere onderwerpen worden aangehaald, maar die gedichten hadden blijkbaar geen vat gekregen op mijn geheugen.
Eerst een omschrijving van het geheel: een mooi vormgegeven boek, overwegend grijs, lekker in de hand liggend, redelijk dik voor een dichtbundel – 50 gedichten, vrij van vorm, vrijwel zonder rijm en vast metrum, rijk aan betekenis en duidelijk herkenbaar als gedichten. Verstaanbaar, is een woord dat bij mij boven drijft, al zitten er ook gedichten bij dat minder zijn. Somberheid, is een tweede woord, maar dan wel een somberheid met een optimistische inslag, zoals het portret van de man in een van de twee contactadvertenties:Man, vijfenzestig, volstrekt niets van betekenis
verricht geschreven en gedacht
zoekt uit weemoed en gemis een vrouwin bezit van rok en dagelijks omgang
zachte handen en granaatrode lippenMet besef van sterren, sterven, muziek
Culinair begaafd, erotisch onderlegd
en vrolijk op weg naar het koninkrijkJe leest er iemand in die zegt te willen leven, maar je snapt dat het verdriet om zijn overleden vrouw eigenlijk ondraaglijk is. Ik heb natuurlijk de neiging om te denken dat Anton Ent zichzelf portretteert, maar ik probeer die neiging te onderdrukken.
De bundel heeft 7 afdelingen. De eerste afdeling heet ‘Reeweg’. Dat is, volgens de aantekeningen in de bundel en het woordenboek, ‘de weg waarlangs het stoffelijk overschot naar de begraafplaats werd vervoerd’. (Weer wat geleerd!) Hiermee wordt de hele bundel als het ware gedrenkt in de koffie in het crematorium.
De laatste afdeling van de bundel heet ‘Marieke Jonkman’. Dat riep een ‘oh, ja, dat was hij’, bij me op. Onder dat pseudoniem heeft Anton Ent een paar jaar de wereld van de letteren beziggehouden.
In een cyclus van 10 gedichten neemt hij definitief afscheid van zijn creatie. In het gedicht ‘Crematie’ (hoe opvallend dicht liggen die twee woorden bij elkaar) doet hij dat misschien wel letterlijk door alle woorden die hij in haar naam schreef in de open haard te gooien:Ik hield je vast onder stuit en nek/ en liet je zwemmen, mijn handen/ voelden je armen en benen in reflex// Je was aan mij gehecht. Je zoog/ en legde zwaar beslag op mij/ Afspraak is afspraak riep je wekelijks// Je schreef me voor. Subtiel zette ik/ jouw sporen uit. Je kar ach god/ je carrière verdroeg geen kind// Ik laat je los en laat je zwemmen/ mijn handen trek ik van je af/ Het porseleinen hoofd raak ik niet aan/ ik laat je kinderloos het vuur in gaan
Er is één gedicht dat me erg intrigeert, me steeds opnieuw laat lezen. Het gedicht is niet opvallend qua taal of structuur, maar er schuilt een bijzondere kracht in, de kracht die iemand helpt om goed te laten sterven. Het is een filmisch gedicht, je ziet het zo voor je gebeuren. Het eerste deel van het gedicht is gewoon, voorstelbaar. Samengevat: een vrouw in een verlaten huis in een duingebied. Ze doet haar jas uit en gaat naar de kelder. Dan gaat de telefoon.
Maar als de vrouw wel uit de kelder naar boven gaat, geroepen door de telefoon – het zou haar man of kind kunnen zijn – maar de telefoon niet opneemt, dan wordt het vreemd. Leeft de vrouw eigenlijk wel. Zeker in de context van de hele bundel zou het best wel eens kunnen zijn dat die vrouw gestorven is. Dan komen er ook nog eens doodgravers aan met kist en krans. Ten slotte geeft de vrouw zich over en strekt zich op de tafel uit.
‘Flink sterven kan’, zegt Anton Ent in een eerder gedicht, ‘maar niet staande’. In dat licht krijgen de woorden in het gedicht andere betekenissen.Overgave
Duingebied. Geen hond te zien, alleen
een vrouw die bij storm de deur
van een verlaten huis bedwingtEen lege ruimte met tafel en stoel
waarop zij plaats neemt. NadenktZij trekt haar regenkleding uit
opent het luik in de vloer, bekijkt
de trap naar het muisgrijze water
en daalt af!
Dan rinkelt de telefoon:
haar man, dochter, zoon? Zij klimt
naar boven maar neemt niet opStaart in de stilte naar het driftig
bewegende helmgras en de zeilende wolkenDoodgravers naderen met kist en krans
Paarse en lila linten draaien in de windZij trekt zich terug van het raam
en strekt zich op de tafel uit
Roodkoper, oktober 2006