Ed Leeflang
Sleutelbos
Uitgeverij De Arbeiderspers
Poëzie is als een berg en het lezen ervan als klimmen. Hoe hoger je je op de berg der poëzie bevindt, en dan doel ik niet op de stapels bundels die in de loop der tijd zijn uitgegeven, hoe mooier het uitzicht. En al ben ik zelf nog maar nauwelijks op weg, ik zie al veel meer dan toen ik nog aan de voet stond. Hoe wijd moet het aan de top het vergezicht wel zijn als je alle poëzie kunt doorgronden!
Ed Leeflang heeft voor zijn poëzie een andere beelspraak gekozen, namelijk die van ruimtes achter gesloten deuren. En als je maar de beschikking hebt over de juiste sleutels, kom je overal binnen. Zijn laatste werk, een bloemlezing uit de zeven tot nu toe gepubliceerde bundels, heet dan ook Sleutelbos, waarbij ik ervan uitga dat iedere sleutel een kamer opent waarin een deel van de persoon Leeflang te vinden is: één sleutel voor de onderwijzer Pennewip, één voor de flora-en faunakenner, één voor de troubadour Lierman en één voor de observator.Kleiner
Ik heb Ed Leeflang tien jaar geleden een keer ontmoet. Hij besprak gedichten van amateurdichters. Ik was één van hen. Toen ik onlangs naast hem stond in een café, mij aan hem voorstelde en hem herinnerde aan die middag, bleek hij zich nog de inhoud van mijn toen besproken gedicht te herinneren. Dat zegt veel over zijn manier van kijken. Goed kijken is namelijk vooral onthouden. Zeker bij het schrijven van poëzie; je schrijft gedichten altijd later dan gebeurtenissen plaatsvinden. En tijdens het schrijven comnbineer je verschillende herinneringen en gedachten met elkaar.
Een voorbeeld van een gedicht waarbij een waarneming een aanleiding is: ‘Een echtpaar’ uit zijn debuutbundel Hazen en ander gedichten, waarvoor hij in 1980 de Jan Campertprijs ontving. Hij ziet daarin Leo Vroman en Tineke in het Stedelijk Museum.Ze snelden langs de Appels voort.
Voor slaapwandelen ging het te gauw,
voor zich verdiepen was het ongehord.
(…)
hij riep weer dingen, misschien
sterke strofen
(…)
Hij was kleiner dan ik van
foto’s geloofdeKijkt hij nou op tegen Vroman of is het ironie?
Overigens begrijp ik de regelafbreking na ‘van’ niet helemaal. Ik zou zelf gekozen hebben voor ‘van’ op de volgende regel, waardoor je als lezer op het verkeerde been gezet wordt, omdat er dan staat: ‘Hij was kleiner dan ik’. En als je dan weet dat Leeflang niet zo groot is, is dat wel aardig.Spijkerschrift
Een voorbeeld van een goede observatie waaruit een helder en erg mooi gedicht is ontstaan, is ‘De drieteenstrandloper’, waarin weeën worden vergeleken met golven, en opmerkelijker, pootafdrukken van de vogel met spijlerschrift. Met name die laatste vergelijking zal boven komen drijven als ik op het strand loop en pootafdrukken zie. Goede poëzie opent ogen.De drieteenstrandloper
De zee kan het niet helpen,
in weeën komt haar drift;
voor haar opwelling wijkt hij,
haar bedenking beent hij na.Van zijn bestaan verschijnt
het vluchtig spijkerschrift,
in scheve aanloopregels,
bijna kwatrijnen.En door haar plompverloren dweilen
worden zij weggewist.Ieder spoor van zijn gedribbel
moet verdwijnen, of hij zich in
de drang om voort te leven
zonder nadruk had vergist.De titel van dit gedicht deed één van de recensenten die het boek in dagbladen bespraken, terugdenken aan de titel ‘Sleutelbos’ – hij vond het grappig dat een loper ook een soort sleutel is. Deze recensent is erg hoog op de berg. Hoger dan waar de dichter zijn gedicht heeft geschreven. Want Leeflang is geen waaghals. Nee, hij schrijft bedachtzame poëzie, nooit roekeloos. Maar mooi. Ere wie ere toekomt.
Roodkoper, december 1999