Erik Lindner
Tafel
Uitgeverij De Bezige BijKan een mens genieten van muziek van Zemlinski, Schönberg of Stockhausen? Voordat ik die vraag kan beantwoorden, moet ik eerst ingaan op het woord genieten: ‘tot zijn gebruik, nut en voordeel ontvangen’, zegt Van Dale. En vlak bij het woord genieten staat genie: ‘de aangeboren gave van grote geesten die hen in staat stelt iets buitengewoons te scheppen’. Ja, het werk van grote geesten kan indrukwekkend zijn, leerzaam, nuttig, maar hoeft dus niet direct mooi gevonden te worden. In het geval van de grote componisten Zemlinski en Schönberg is dat laatste meestal niet het geval.
Is dichter Erik Lindner een genie? Als ik foto op de achterkant van de bundel bekijk en de onaanraakbare uitdrukking op zijn gezicht goed lees, dan denk ik dat hijzelf vindt van wel. En misschien heeft hij wel gelijk, misschien zijn z’n gedichten wel geniaal, maar mooi? Als ik in een negatieve bui ben, zeg ik dat zijn gedichten emotieloos zijn. Als ik positief gestemd ben, vind ik ze cerebraal.
De gedichten van Erik Lindner roepen verstilde beelden op van mensen in ruimtes, buiten of binnen, waarin alles onheil ademt (zoals in de geschilderde thrillerschilderijen van de Belgische schilder Paul Devaux): Lichtvlekken in het matglas beramen/ hoe lang stil te staan voor een deur// uit een boodschappentas steekt een wandelstok/ in de goot liggen in touw gebonden vloerkleden/ op de stoeptegels kleeft een panty// twee mannen maken twee gemengde vuisten/ en kussen de rug van elkaars handen/ terwijl de stad oogt// past het mesje half weg in het sleutelgat. Wat staat er te gebeuren, vraag ik in een positieve bui – er gebeurt niks, zeg ik negatief.
Verveling, dat is het kernwoord waar de poëzie in deze bundel over gaat. Dat begreep ik toen ik woord Acedia opzocht, een woord dat een aantal keer terugkomt in de bundel: een benaming uit het Grieks dat luiheid en verveling betekent en staat voor een van de zeven hoofdzondes.
De zoektocht naar verveling; hoe schrijf je gedichten die verveling uitdrukken en oproepen.
Het eerste gedicht waarmee hij zijn zoektocht openlijk verbeeldt, is: Een lifter naar Acedia. Het gedicht speelt zich af op een filmset, een situatie waar er veel verveeld wordt:Vanmiddag gaan de opnames slagen
vanmiddagdit is de juiste dag
daar valt het juiste zonlichtzijn silhouet kruipt over de wijngaard
zijn nagels klieven de rode aardetranen doen de schmink schuimen
de grimeur rent rond met een pruikhij haalt een sigaret uit zijn vestzak
en breekt hem in tweeënvanmiddag roept hij en slaat op mijn schouder
terwijl ik het verkeer in de gaten houd.Een filmset, een mooie plek om te spelen met de werkelijkheid. Wat is echt? Is het slot, het moment dat hij op mijn schouder slaat, een scène in de film of een felicitatie achteraf, als de opnames van die dag geslaagd zijn?
Er wordt erg veel beschreven in deze bundel. Erik Lindner beschouwt de wereld om hem heen. Uit een interview met hem dat door Annette van den Bosch is afgenomen, las ik dat hij veel buiten loopt en noteert wat hij ziet, hoort en opmerkt. En vervolgens weer verdraait – zo zijn dichters! Zo had hij een kind horen zeggen dat hij zijn moeder geen nachtzoen wilde geven, omdat het kind begrepen had dat er bloed in lippen zat. Een interessant voorval, de moeite van het opmerken waard. Maar na het nodige poëticaal geschaaf en gezeef, waarbij de dichter zoekt naar de essentie, blijft de bitter weinig over van het mooie opmerkelijke moment: Er zit bloed in je lippen/ en toch fluit de wind. Al het leven is er uit geschreven. Op die manier zal uit veel andere opgemerkte gebeurtenissen bij de zoektocht naar de kern de kern er juist uitgeschreven zijn. Welke mooie zinnen staan er in de schriftjes die hij bij zich houdt als hij wandelt en noteert. Wat gaat schuil achter een zin als: nestresten in het riet dat voorbij drijft/ krap in het zicht van de volgende bocht/ vraagt de rivier een visum voor de stad of in hetzelfde gedicht, een eindje verderop: ik drink draaiend/ op de vlakke hoogte van het spaarne/ en je adem klimt in de rivier. Of in dit gedicht: Windstil en weinig zegt me/ de golfslag van het verkeer// het gras is nog nat/ op de bank ligt een slaapzak// damp staat boven het asfalt/ bladeren trillen na iedere voorbijgang// een brood tussen stenen/ in een plantenbak aan de weg…
Erik Lindner lijkt geslaagd in zijn zoektocht naar verveling: zijn gedichten vervelen. Geniaal?
Ik wil helemaal niet verveeld worden. Ik wil liever lezen dat het kind zegt dat het zijn moeder niet meer wil kussen, omdat hij nu weet dat er bloed in haar en zijn lippen zit.
Maar verveling is ook goed, zegt de positivo in mij, verveling zorgt ervoor dat er ruimte is voor nieuwe dingen, dat je kijkt met nieuwe ogen, dat je bijvoorbeeld de tafel ziet zoals nooit ervoor, de tafel in de kamer waarop je al duizend keer aan gegeten hebt, die gewone tafel met die krant, die doordeweekse tafel die voor je ogen verandert en op schaduwreis gaat over het vloerkleed als de winterzon door de een kier tussen de gordijnen gluurt. Als je eenmaal een diepe staat van verveling hebt bereikt, door het dal van luiheid bent gekropen, dan ben je in staat om de werkelijkheid te zien als nooit ervoor en daar het mooiste gedicht van de bundel over te schrijven:Het raam maakt een kier
en de tafel tot hier
breekt
op slag
en de tafel is niet bij het raam
maar hier naast me gaan staan
aan de voet van de tafel
valt het kleed van de tafel
in het licht van het raam
buigt het blad een armlengte
knikt in de elleboog een reep
in de lade, kruimels, paperclips
het stuk karton dat de tafel recht
en het raam open houdt
een schuivend vierkant over de tafel
beent in een stuk op de grond.
Roodkoper, december 2005 - 5