Ester Naomi Perquin
Servetten halfstok

Uitgeverij G.A. Van Oorschot
ISBN 9789028 240735

 

Het was een jaar of twintig geleden, toen ik lid was van een Amsterdams poëziegroepje, dat we een dichter hadden uitgenodigd om onze gedichten eens professioneel te bespreken. Het was Ed Leeflang. Het werd een leerzame avond! Hij vertelde tussen de bedrijven door ook over zichzelf en over zijn eigen poëzie. Zo vertelde hij dat hij in die periode experimenteerde met de toegankelijkheid van zijn gedichten en dat hij weer wat vaker eindrijm gebruikte, met name in de slotzinnen. Eindrijm alleen gebruikt in de slotzinnen werkt als een uitsmijter. Maar, waarschuwde hij erbij, je moet die truc maar mondjesmaat toepassen.
De betekenis van die waarschuwing is me volkomen duidelijk geworden bij het lezen van de debuutbundel van Ester Naomi Perquin: als je te veel rijmende uitsmijters schrijft, dan wordt het flauw. Als je haar gedichten los van elkaar leest, bladerend, af en toe eentje, dan valt het niet zo op, maar als je de bundel van voor naar achter leest, dan stoort het. Daar zou een redacteur voor hebben moeten waarschuwen.

Een beginnersfout misschien? Laat ik het daar op houden, want de poëzie van Ester Perquin spreekt me zeker aan. Ze getuigt van een goed taalgevoel en ritme, en de manier waarop ze in een aantal gedichten de werkelijkheid naar haar hand zet, en hier en daar in surrealisme laat overlopen, vind ik zonder meer boeiend. In het gedicht ‘Staatsgeheim’ bijvoorbeeld (goede titel!) geeft ze een kijkje achter de coulissen van de luchtvaart. We denken dat er ‘gewoon’ vliegtuigen vliegen, maar zij klapt uit de school: ze hangen aan touwen! Overmaatse vogel  door hoog in de lucht / gestoken borstels schoongeschrobd en / bovenop het dunnen touw verstopt waaraan hij deze vlucht moet hangen. // Samenspel door onbekende machten /  trucages van een verborgen overheid. De stewardessen zitten in het complot. Zwijgen verplicht. Of moeten geloven.
In ‘Ter verdediging van een nachtsuppoost’ draait een suppoost na zoveel jaar nachtwerk door en bevrijdt alle opgezette dieren uit hun kooi. Dat hij zelf ook al vluchtend vleugels weet te krijgen, maakt het gedicht compleet: Toen zaagde hij de sloten door, bracht / fuut en nachtegaal, zwaluw en harpij // de kasten en de kooien uit; de nacht / stond vol bevroren vliegverkeer. Een broedplaats zonder leven. // Zoveel jaar en steeds de zon gemist. / Hij sloeg zijn armen op en neer. Ze moeten hem zijn vlucht vergeven.
Dat een dichter, of misschien elke kunstenaar, een eigen wereld schept, toont ze in het gedicht ‘Ontwerp’, waarin iemand een bos verzint en terloops de schemering bedenkt. Ook met het gedicht ‘Gestrand’ over een enorm fabelachtig dier met vleugels dat is aangespoeld, maar even raadselachtig verdwenen als het is gekomen, toont ze dezelfde vrijheid: ze voelt zich vrij om de wereld te bepalen, zij is de schepper, zij bepaalt wat er kan en wat niet. Dat het gemaakte ook begrensd is, toont ze impliciet met het gedicht ‘Maker’:

Het scheppen ja - niet dat hij
het altijd beter kan maar vaak
ligt een volmaakte zandman
te bakken in de zon,
ontbeert slechts adem of
kortweg: binnenkant.

Hij mist almacht maar heeft
vaak nagedacht over knieën
naar twee kanten of zeg een
elleboog die naar beide zijden
buigen kan, een beter draagbaar
hoofd, slaap veel minder lang.

Maar zand is grof en leven
noodzaak voor een goede god.
Trouwens, kijk naar wimpers.
Daar win je het niet van.

Ester Naomi Perquin heeft de Schrijversvakschool gedaan, de literaire academie. Haar debuut geeft mij aanleiding om daar eens wat overdenkingen bij te plaatsen.
Dat kunstenaars op kunstacademies les krijgen, vinden we heel normaal. Van sommige beroemde kunstenaars is zelfs bekend van wie ze les kregen. En natuurlijk moet je les krijgen! Hoe moet je anders het vak leren? Eerst komen de vaardigheden, daarna komt de inhoud.
Bij schrijvers is dat eeuwenlang anders gegaan. Schrijven deed je omdat je wat te vertellen had! Eerst de inhoud, en gaandeweg komen de vaardigheden. Met de Schrijversvakschool is er gebroken met de traditie. En al werd er in het begin nog wat lacherig over gedaan, inmiddels hebben voldoende dichters die daar zijn opgeleid, bewezen dat het werkt: Co Woudsma, Marijke Hanegraaf, Tjitske Jansen, Francien van den Hurk, om er een paar te noemen. Voor de uitgevers is het ook aanlokkelijk geworden om uit de stapel van ingezonden manuscripten die van de Schrijversvakschooldichters eruit te vissen. Het risico van een verkeerde inschatting is dan kleiner.
Is er ook iets tegen een academie voor poëzie? Nee. Misschien toch. Bij het lezen van de bundel van Ester Perquin, in de wetenschap dat ze daar nog niet zo lang geleden afstudeerde, overviel me de vraag of de gedichten in haar academieperiode tot stand zijn gekomen. Hoeveel heeft ze geschreven naar aanleiding van opdrachten?  Hoeveel invloed hebben de docenten gehad? Met andere woorden, is het academiewerk of werkelijk autonoom, ontstaan uit een innerlijk noodzaak? En tegelijk: doet het antwoord er eigenlijk wel toe? Het gaat toch om de gedichten, hoe ik ze lees? Ik kom er niet helemaal uit. Misschien zouden er in de bundel wat namen van dichters genoemd moeten worden die belangrijk waren bij haar ontwikkeling: met dank aan, of zoiets.
De goede beginnende dichters staan open voor commentaar, of feedback zoals het dan wordt genoemd. Door aanmerkingen groeit een gedicht, en daarmee de dichter. En die feedback blijft vaak ook nodig bij ervaren dichters. Zelfs bij dichters die worden gepubliceerd, want daar neemt de redacteur de rol van kritische lezer. Een redacteur heeft ongelooflijk veel invloed op een bundel, maar nooit wordt die persoon genoemd. Dat is eigenlijk vreemd. Wel de vormgever, wel de fotograaf, maar niet de redacteur.

Terug naar Servetten halfstok. Ik heb de bundel met plezier gelezen. Ester Perquin is nog jong, dat heb ik naar mijn gevoel ook gelezen. Er zit een zekere lichtvoetigheid in haar poëzie die jeugdig aandoet, of anders gezegd, haar poëzie geeft niet overtuigend blijk van de diepte die komt met de leeftijd. Of wil ze die diepte niet voelen? De titel vermoedt het laatste. Servetten halfstok interpreteerde ik als: ik wil best wel rouwen om het leven, als het maar niet te zwaar wordt! Totdat ik het gedicht las waar de titel in voorkomt. Daarin leeft de hoofdpersoon een tijdje op het platteland. Thuis voelde blijkbaar benauwd. De slotregels:

Hier eten ze aan tafels zonder lakens,
ik drink hun zelfgemaakte wijn, hoor
geluiden uit het ongemoeide hok.

Hier wapperen de witte vlaggen.
Thuis hingen na de maaltijd
servetten halfstok.

Ook het eerste gedicht van de bundel geeft me dat gevoel. ‘Reïncarnatie’ heet het. Een groot onderwerp! Maar ze geeft er een lichtvoetige draai aan. Het lichaam wordt na haar dood zoiets als een tweedehands jas. Wel een aardige vondst om het zo te bekijken, maar het beklijft niet bij mij: Word ik de eerste keus of heeft / een mooier lichaam niet gepast? / Lig ik opgevouwen achteraan of / hang ik breeduit in de etalage? // Hoe weten zij hoe ik mij was? / Welk nog onzichtbaar etiket / is in mijn nekrand vastgezet?
Ten slotte een gedicht waarin Ester Perquin laat zien dat ze niet bang is om persoonlijk te worden. Wat mij betreft mag ze deze kant van haar poëzie in haar volgende bundel sterker ontwikkelen. Een integer gedicht over zwangerschap. Voordat je zeker weet of je wel of niet zwanger bent, maak je een tijd mee van dromerige onzekerheid. Je bedenkt hoe het zal zijn. Je bedenkt het kind. Een onverwachte betekenis van scheppen.

Scheppingsverhaal

Mooie geliefden waren we niet, tussen
stoffige dekens in een halfvreemd bed,
moe van de vlucht terug naar huis,
ondankbaar, vastbesloten
tot eten, drinken, elkaar.

Toch lagen we dicht
bij de ruimte waarin toen een
speldenknop, microscopisch land,
een nader uit te werken plan.

Leg je hand in mijn hand, je hart
in mijn hart, weet je slagen geteld.
Ken de oorzaak daarvan.

Je werd die nacht verondersteld
zoals dat heet, of liever toch bedacht.

Aan het einde van de slaap bleef
jij nog maanden duren.

 

 

Roodkoper, juli 2007 - 3