Faust, een tragedie
Johann Wolfgang Goethe

vertaald door Ard Postuma
Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep

 

Interview met de duivel 

 

Er is onlangs een integrale uitgave van Goethe’s Faust uitgekomen in een vertaling van Ard  Posthuma. Wat vindt u van de vertaling?

Mefistofeles:
Dat was een heidens karwei! Ik heb die Posthuma af en toe zelf een ingeving ingeblazen; en bij de leukere fragmenten heb ik het blad van zijn mond weggenomen, zodat het geheel wat meer van deze tijd is. Ik heb Goethe eerder ook al regelmatig bijgestaan! Je denkt toch niet dat een sterveling alleen tot zulk een prestatie in staat is, zijn  tijd ver voor uit. Als er tegenwoordig iets dergelijks geschreven wordt, noemt men het postmodern. Nu nog zitten de mensen die deze tragedie lezen met de handen in het haar, zo ingewikkeld is het soms.
Ja, het eerste deel met Margarete, dat snappen ze nog; heerlijk vinden ze het om te volgen hoe zo’n vroom ding wordt verleid. Maar deel 2, met al die Griekse figuren en toespelingen op de godganse wereldliteratuur! Dat gaat bij heel veel mensen boven de pet.

Ik moet bekennen dat ik soms aardig de draad kwijt was.Kunt u het zelf  helemaal volgen?

Mefistofeles:
Soms word ook ik even op het verkeerde been gezet. Dat is de hak die Goethe me gezet heeft. Hij beschrijft de dingen niet zoals ze zijn, hoogst verwarrend. Ik citeer een fragment uit het tweede deel, tweede bedrijf: de Klassieke Walpurgisnacht, de Pharsalische velden, waarin ik allerlei vreemde wezens tegenkom. Heksen, sfinxen, griffioenen, sirenen etc. Een gesprek tussen Lamiën (volgens het Oudgriekse volksgeloof vampierachtige wezens) en mijzelf:

“                     Lamiën
Aanbod genoeg, bepaal je keuze!
Wie waagt, die wint, dat is de leuze,
en op de hoofdprijs maak je alle kans! –
Ach, jouw gekir maakt ons niet blijer,
je bent een waardeloze vrijer,
doet o zo stoer, lijkt heel wat mans. –
Ha, eindelijk! nu met zijn allen
bedaard het masker laten vallen,
ontbloot uw ware wezens thans.
                        Mefistofeles
Me dunkt, de mooiste dat is deze…
haar bij het middel pakkend
Rampzalig! Wat een dorre bezem!
een ander beetpakkend
En deze?… Bah, ik walg ervan!
                        Lamiën
Verdien je soms iets beter man?
                        Mefistofeles
Ik wil me aan die kleine wel verpanden…
Een hagedis glipt uit mijn handen!
Een slangenkapsel op haar kop.
‘k Ben met die lange beter af…
O help, een stijve thyrsusstaf!
Er glanst een pijnappel als knop!
Wat moet dit alles?… Daar die dikke
zal mij dan hopelijk verkwikken.”

Maar nee, hoor, het loopt niet zoals ik had gedacht. Maar het is wel een te gek stuk. Alsof je hallucineert. De woorden en namen ratelen over elkaar heen, en je verdrinkt in je eigen onkunde. Dat is mooi. En vervolgens word je boos op jezelf omdat je het niet kan volgen. Dat is een gave van Goethe waar ik jaloers op ben.

Faust komt in dit gedeelte helemaal niet voor. Vindt u niet dat de tragedie eigenlijk Mefistofeles zou moeten heten. U bent toch eigenlijk de hoofdpersoon?

Mefistofeles:
Ik blijf liever in de schaduw. Maar ik vind dat Faust wel te veel eer krijgt. In het begin weet hij van niks. Op het laatst is het gewoon een oude zeur. In het midden krijgt hij de kans om het aan te leggen met de mooist denkbare vrouw, Helena. Verprutst hij het …  Zo zijn mensen, zal ik maar denken.

Het laatste grote project waar u Faust mee moet helpen, is het droogleggen van de zee. Dat moet toch de mensen in Nederland aanspreken!

Mefistofeles:
Ja, daarmee nam hij het tegen de elementen op en indirect tegen de Heer. Het is onbegrijpelijk dat Hij dat heeft gepikt en Faust niet heeft verdoemd. En wat de Nederlanders betreft: ik mag dat graag zien, zo’n arrogante houding.

Het eerste deel verscheen voor het eerst  in 1808 ( in 1832, na de dood van Goethe, werd pas het tweede deel uitgegeven). Vindt u het niet wonderlijk dat u na zoveel jaar nog levensvatbaar bent?

Mefistofeles:
Ik heb Genesis geschreven zien worden. Ik heb aan de wieg gestaan van vele lieden, en hoeveel tijd zal er nog voor me komen? Ik moet wel in wonderen geloven!

Omdat het goede toch steeds weer overwint?

Mefistofeles:
U doelt op die hemelse list om Faust aan het eind van zijn leven toch nog te redden van de hellemond?

Ook met de bijbelse Job ging het niet zoals u had gedacht? God is geen makkelijke tegenstander.

Mefistofeles:
Nee, dat lag anders. Ik mocht Job tot het uiterste op de proef stellen. Dat heb ik gedaan, maar niet zonder respect voor zijn standvastigheid. De weddenschap om Faust ging verder, ik mocht zijn ziel kopen als het me zou lukken. De Heer zei letterlijk:
“probeer hem aan zijn oerbron te onttrekken,
leid deze geest, als je hem pakken kunt,
bergafwaarts naar je duistere plekken.”
En ik kreeg hem te pakken. Met hart en ziel gaf hij zich aan mij over. Ik werd zijn knecht tijdens zijn leven, in ruil voor zijn knechtschap na zijn dood. En hij ondertekende het contract met een druppel bloed. Ik hield me aan mijn woord en heb Faust zijn hele lange leven gediend. Maar de Heer is een slecht verliezer: toen Faust zijn laatste adem had uitgeblazen, stuurde hij engelen om zijn ziel van mij te stelen. Met lichaam en al! Die engelen verschroeiden mijn huid met al hun felle goedheid. Als Job stond ik daar, vol met zweren en met lege handen. Het is net goed voor ze, daar in de hemel, dat ze met Faust eigenlijk geen raad weten:
“Dit aardse restant
doet pijn aan de handen”, zegt een van de volmaaktere engelen;
“al was het van amiant,
het was niet schoon te branden.”

In het eerste deel zijn illustraties opgenomen van Delacroix, en in het tweede deel van Beckmann. Welke krijgen uw voorkeur?

Mefistofeles:
De illustraties van Delacroix zijn prachtig, maar die van Beckmann hebben een open karakter, geven de kijker veel meer vrijheid. En vrijheid trekt me nou eenmaal meer.

Zal deze uitgave veel worden gelezen?

Mefistofeles:
Ik denk dat hij wel veel wordt gekocht. Hij doet het prachtig in de boekenkast. En gelezen wordt hij misschien ook nog wel. Maar werkelijk begrepen? Nee, daarvoor zijn de mensen toch te dom. Maar ik wil ze graag verleiden om het tegendeel te bewijzen. Misschien is er een goede weddenschap op af te sluiten?

 

Roodkoper, april 2002 - 2