Francie van den Hurk
Naastenparade
Uitgeverij De Harmonie
Alsof je verzeild bent geraakt in een oud landhuis en de vrouw des huize’s na de thee een doos met foto’s tevoorschijn haalt, zo leest de debuutbundel van Francie van den Hurk, ‘Naastenparade’. De vrouw uit het landhuis wandelt met haar vingers kriskras door haar leven, haalt af en toe een foto uit de doos en begint te vertellen. Een foto van haar op vader op toneel brengt haar terug in de tijd dat ze nog jong was, een recente foto van haar dochter op de bank met een mannentrui aan geeft aanleiding om te vertellen hoe het nu is om moeder te zijn en dan weer een foto van vroeger genomen tijdens een boswandeling die haar terugbrengt naar haar eigen jeugd. Aan het eind van de middag, en het tijd is om je eigen leven weer te leven, heb je het gevoel dat je haar goed hebt leren kennen.
Vrouwenpoëzie. Dat woord dringt steeds weer in mijn gedachten, elke keer opnieuw als ik de bundel ter hand neem. En tegelijk duw ik dat woord weg, omdat het zo’n negatieve klank heeft, terwijl ik het bedoel in positieve zin. Zou er geen beter woord zijn?
Francie van den Hurk schrijft over zichzelf en neemt dus haar eigen leven als onderwerp, maar let wel, op zo’n manier dat de gedichten loskomen van haar als persoon en universeel worden. Mannenpoëzie: als ik over mezelf spreek: ik schrijf gedichten over dingen die buiten mezelf staan en probeer daar mijn eigen ervaringen en gevoelens in te verwerken. Ik geef mijzelf dus niet bloot, of met andere woorden, het is veel moeilijker om mij in mijn gedichten te herkennen. Als ik het zou kunnen, zou ik liever vrouwenpoëzie schrijven.
Terug naar Francie van den Hurk: ‘Naastenparade’ is een mooie verzameling gedichten over vroeger en nu: de dorpsgek, die in de ogen van een kind de dood is, de nonnenschool, en liefdevol vertelt ze over haar klaarblijkelijk veel te vroeg gestorven vader en dat wisselt ze af met gedichten over deze tijd waarin haar eigen kinderen en man een belangrijke rol spelen. Opvallend is dat de taal die ze gebruikt past bij de tijd waarin het gedicht zich afspeelt. In gedichten over haar kinderen komen woorden als ‘XXL’ en ‘topdesign’, ‘mobieltjes’ en ‘airbagzolen’ voor, terwijl de zinnen ‘Op een consooltje prijkt Sint Jozef/ in een aureool van stof’ en ‘vandaag breien we/ een kruisje voor een directoire’ de sfeer ademen van een vervlogen tijd. Ze kiest haar taal dus uiterst zorgvuldig. Het mooie is dat er soms ook in al die tijd niets wezenlijk verandert blijkt te zijn. Zo staan er bijvoorbeeld twee gedichten tegenover elkaar: twee zelfportretten. Het kind van toen wil alle herinneringen wegdoen, zoals ze dat met speelgoed doet, en van voren af aan/ hele nieuwe dingen denken/ of ik nog nooit iets had gedacht,/ later konijn worden. De vrouw van nu kijkt ’s ochtends in de spiegel en praat zichzelf moed in: gapend/ met je mond vol kronen,/ je haar in coupe spinazie,/ de toekomst lezen/ in de lijnen van je hals/ en dan hardop zeggen:/ik ben een lichtwezen,/ ik ben een engel.De gedichten behoeven over het algemeen geen uitleg, al is het wel de moeite waard om te wijzen op verrassende bewoordingen. Zoals het slot uit een gedicht over de zoon die ’s nachts thuiskomt met een vriendin. Zo treffen we ze ’s morgens aan: Twee stel benen hangen uit een deken/ moegeoefend langs de spijlen./…/ Ze breken in en uit en leren lukken. Of deze zin uit een gedicht over een dagje uit met het gezin; aan het eind van de dag valt haar vader tegen haar moeder in slaap: ‘Zijn dommelende hoofd/ lag als een klopje op haar schouder;/ lippen pruttelden kampeergeluk.” De vader complimenteert de moeder door in slaap te vallen. Dat zou in deze tijd, na de feministische golf, niet meer kunnen, denk ik. Dat die golf aan hun dochter niet voorbij is gegaan, bewijst het openingsgedicht, ‘Strijk en zet’. Daarin rekent een vrouw op een figuurlijke manier af met haar/de man tijdens het strijken van zijn overhemd: “Ze perst zijn nek,/ blaast hete stoom/ het bovenste knoopsgat in;/ de bout sist maximaal.// Ze legt gewicht in zijn oksels,/ boven de plank broeit/ een melange van gewassen zweet,/ leugens en hitsige smoezen.” Dat ze hem niet meer nodig heeft, bewijzen de suggestieve slotregels: “Ze trekt haar jurk uit,/vouwt zichzelf/ open, stijft haar minnaar en bevochtigt de lakens.” Ze doet me denken aan een meisje uit een kunstvideo: ze zit aan een tafeltje in een café waar verder alleen mannen aanwezig zijn, met voor zich een schoteltje en een vlijmscherp mes; op dat schoteltje ligt een winterwortel. Het meisje snijdt met trage venijnigheid plakjes van de wortel en eet ze op. De vrouw uit het gedicht van Francie van den Hurk komt op een vergelijkbare manier in opstand met echter één groot verschil. Het dubbele zit ‘m namelijk daarin, dat ze tóch zijn overhemd strijkt. Is dat het portret van de vrouw van deze tijd?
Voor haar kinderen blijft ze uiteindelijk op de eerste plaats moeder. Ook al zijn ze het huis uit, want zodra ze even thuis komen dan vervalt iedereen weer in de rol die ze zo lang hebben gespeeld:Wildpark
In kort blaffen schrijft ze
op een kaartje: ik kom naar huis,
tot gauw. Het bericht jengelt
door de ochtend. Ik maak me op.In de kamer wacht de kater
op haar langebenenstappen
langs het raam tot ze binnenkomt
als een giraffe.Buiten adem buigt ze sierlijk,
soepel door de knieën
haar slanke hals naar mij en hapt
naar verse zoenen.Tafel, koffie, krant en stilte,
de poten waar mijn dag op staat,
neemt ze natuurlijk in beslag.Dan kruipt ze in een mannentrui
en waant zich kleuter, vliegend
op vadervleugels door het huis.Straks schurkt het knuffelbeest
haar schoften naast me. Ik ken
geen grenzen, heb geen hekje,
ben vrij toegankelijk.
Roodkoper, december 2002 - 7