Harmen Wind
Buiten adem
Uitgeverij De Arbeiderspers
De titel slaat niet op het snakken naar lucht na lichamelijke inspanning, zoals de flaptekst al uitlegt, maar op wat achterblijft als de laatste adem uitgeblazen is. Schrijven over dat gebied levert bij Harmen Wind bedachtzame poëzie op, waarbij de uil op de voorkant van de bundel nauwsluitend past. Wind is geen omroeper van oproer, maar meer een zwijger van gedachten.
Veel gedichten in deze bundel gaan over de dood, en dan vooral gezien door de ogen van de achterblijver, de nabestaande, die een leegte beschrijft die precies de vorm heeft van degene die is weggevallen. Maar ook staan er veel gedichten in die ontstaan zijn uit een herinnering waaraan zomaar opeens, aan het ontbijt bijvoorbeeld, met de krant in de hand, gedacht kan worden. Wind schrijft in ‘Buiten adem’ poëzie die hoort bij een stiltegebied: de dood, natuur, herinneringen aan zijn vader en zijn moeder, of een kamer waarin twee mensen (lezend of misschien doen alsof ze lezen, maar denken) niet veel zeggen. Dat er in die kamers veel gezwegen wordt, komt opmerkelijk genoeg juist tot uitdrukking door het gebruik van de directe rede, het gesproeken woord dus, waardoor de rest van het gedicht gedachte wordt.
Bij dat stiltegebied hoort geen taal die uit de bocht wil vliegen, die experimenteel is of schreeuwt. Regels als ‘de braakstalen code der distantie/ tienticht de tientand andermaal de luchtprofetie/ vol van keel de o-koek de ochtendslagen heet/ omhullunduw de ahha en fijnproevers dixie’ die zul je in ‘Buiten adem’ niet treffen. Maar Wind zoekt dan ook de taal niet op om haar uit te dagen, zoals Lucebert deed. Wind wil het duister niet inspringen, maar zoekt de stilte van de binnenplaats. ‘Je wil wel dichten, maar niet te erg’, schrijft hij. Dat is o.k. Na vier dagen exotisch fruit eten, smaakt een Hollandse appel zoeter dan ooit.
Het is meer Herman de Coninck aan wie ik moest denken bij het lezen van deze bundel. Zoals bij de zin: ‘je wilt een naam/ en iemand die hem fluistert’. De Coninck schreef: ‘iemand met sproeten en iemand die ze telt’. Of de zin: ‘het voorbijgaan vastleggen van a/ tot z en dat mee blijven maken’, die me sterk aan de Belg doet denken. Ook de eerder genoemde directe rede, waarbij een tweede persoon in het gedicht gehaald wordt: ‘schrijf maar op wat je ziet, zegt ze’. Maar het is vooral het taalgebruik dat me aan De Coninck doet denken, de eenvoudige woorden, tegen het gewone aan, voorzichtig rijmend en ogenschijnlijk achteloos neergepend. Daarin schuilt het bijzondere van deze stille gedichten.
Af en toe probeert Wind overigens wel de stilte te breken, zoals met het gedicht ‘Burgemeester’ waarin het spelen van jongens ontaardt in een seksueel machtsspelletje. Het woord ‘pik’wordt door het kleinste jongetje niet begrepen: ‘Ze zeiden laat je pik/ zien anders maken we/ je burgemeester maar/ ik had geen pik.’ Dus werd hij burgemeester, dat wil zeggen dat zijn kleren bruusk werden uitgetrokken en in de sloot gegooid.
In een ander gedicht, waarin moeder aardappelen zat te schillen, maakt Wind op een grappige manier gebruik van zijn naam en schetst hij zijn eigen geboorte: ‘onder het mandje, uit haar rok/ tuimelde modderig en glad/ het antwoord op de kokosmat. Mijn moeder riep geschrokken: ‘Ho’,/ als was haar net een wind ontsnapt.’
Maar het is de stilte van de dood die het sterkst is in deze bundel. De dood bijvoorbeeld in het gedicht ‘Wederkeer’, waarin niet de wedergeboorte centraal staat, maar de mens die wederkeert in de aarde, als stof:het grondwater, de zachte klei,
ontvangen hem en staan hem bij
op de terugtocht naar de aarde,
waar hem de diepste stilte wacht
en wat zich in hem openbaarde
tot oorsprong wordt teruggebracht.Ashes to ashes, zoals het er staat in het gedicht ‘Geteld, geteld’, in een beschrijving van de haard waarboven de foto’s van vroeger, nog vol belofte. In deze cyclus van vijf gedichten beschrijft Wind de dood van een dierbare. Opgebaard: ‘dagen houden van wat warm is en zacht./ Dagen zijn verwende carnivoren’. Wie eens met eigen ogen gezien heeft hoe zwaar de eerste dagen tellen, en hoe snel, maar eigenlijk ook traag, het leven verdwijnt uit een lichaam (volgens Steiner heeft de ziel drie dagen nodig om zich los te weken van het lichaam), begrijpt precies wat hier staat.
Maar de dood kan zich ook heel goed openbaren in wat achterblijft: een dood meisje, na tweeduizend jaar in het veen geconserveerd te zijn geweest, brengt in stilte haar gevoelens over op de dichter die haar ziet liggen in een museum, achter het glas van een vitrine. ‘Mooi’, heb ik in potlood bij dit gedicht geschreven, opdat de tijd ook deze woorden van Wind met hand en tand verdedigt.Het meisje van Yde
Tweeduizend jaar heeft, naar verluidt, de aarde
jouw lijf in stilte laten voortbestaan.
ik zie, onder dit glas, het wonder aan
en pijnlijk openbaart zich wat zij spaarde:wat niet verging, beneemt op jou het zicht.
Je liet het achter, en van hoofd tot voeten
zie ik: nooit zullen wij elkaar ontmoeten,
hier komt alleen een afscheid aan het licht.Betrapt, uit haar bestemming losgestoken,
heugt dit restant zich enkel strop en zwaard.
wat bleef is niets dan wat werd afgebroken,
niets dan gemis, met huid en haar bewaard.
Roodkoper, oktober 2001 - 6