Hélène Gelèns
niet beginnen bij het hoofd
Uitgeverij 521
De Sandwich-reeks nr. 13Een jaar of tien geleden maakte ik een tekening met als titel: ‘bij het bouwen van een huis begin je natuurlijk met de schoorsteen’. De gedachte achter tekening en titel was dat ik, zo vond ik toen zelf, het creatieve proces via het denken moest benaderen. Eerst het hoofd, daarna misschien het voelen. Nu, tien jaar verder, wil ik wel anders, maar weet ik eigenlijk nog steeds niet hoe ik mijn leven, mijn werk, zou moeten opbouwen als ik met het voelen zou moeten beginnen. Typisch mannelijk?
De opdracht ‘niet beginnen bij het hoofd’, zoals Hélène Gelèns me die met haar debuutbundel geeft, zadelt me dan ook op met een probleem: waar moet ik dán mee beginnen? Via vingertoppen (niet ‘de’), zegt ze zelf in het slotgedicht: bij vingertoppen die glijden zoals / ze zouden glijden en prikken / zoals ze zouden en kittelen / ze trekken een krullende lijn in de lucht / haar blik kleft erachter erboven eronder/ beginnen bij haar zin / in vingertoppen tintelt gemis. De laatste zin staat cursief: staat daar de uitleg? Maakt het missen dat je op zoek gaat, begint? Moet ik voelen wat ik niet heb, en daarmee beginnen? Typisch vrouwelijk?
Deze bundel is de dertiende in de Sandwich-reeks, onder redactie van Gerrit Komrij. Ik heb de eerste 12 aan me voorbij laten gaan, en deze bundel was waarschijnlijk ook aan me voorbijgegaan als Peter de Boer in Trouw niet zo’n ongelofelijk enthousiaste recensie had geschreven die me tot aankoop dreef. Later, op internet, las ik reacties op een interview met Hélène Gelèns, vrouwen vooral, waarin ze werd bejubeld als een heldin van het woord die nooit op mocht houden met schrijven. Dus vol verwachting begon ik te lezen, en opnieuw en opnieuw. Ik las haar woorden, maar - ondanks de duidelijke waarschuwing - ik begon waarschijnlijk toch met mijn hoofd. Ik kon wel naar binnen kijken, en ik meende te zien dat het er daar goed uit zag, maar ik bleef buiten staan. Pas toen ik haar gedichten hardop ging lezen zag ik de ingang.Ik begreep uit de recensie van Peter de Boer dat Hélène Gelèns een veelgevraagd dichter is, die veelvuldig op festivals en poëzieavonden haar gedichten ten gehore brengt, en ik voel dat op die momenten haar kracht zichtbaar en hoorbaar is, als ze, zo stel ik me dat voor, gedreven haar poëzie in wisselend tempo voordraagt, vol hartstocht, warmte en humor. In die situaties kun je niet anders dan haar woorden te laten binnenkomen, door de voeldeur. Herhaling, cadans, persoonlijk, indringend, maar ook wisselend in stemming, dat zijn in mijn ogen de kernwoorden van haar poëzie. En ze zoekt innig contact! Ook in de liefde, getuige het openingsgedicht, waarin een vrouw aan het woord is die de lezer een blik gunt in haar wens naar een gepassioneerde relatie met een man waarbij lijfelijkheid en ruzie twee zijden zijn van dezelfde medaille.
schreef ik mijn gedichten maar niet zo traag
ik zou vertellen hoe een man zegt:
er hangt een rare mevrouw aan mijn kont
ik noem geen namen – ik zou vertellen
hoe de vrouw de man in de nek bijt
zich knauwend in hem een weg baant
hoe hij haar in gezelschap vraagt:
zoek je ruzie? en zo de mond weer loktik zou op tijd vertellen hoe warm
onze ogen stemmen – hoe graag
de nek de mond
ik zou op tijd vertellen hoeveel
liefde in het knauwen – hoe fijn
door jou gelokt
ik zou je op tijd vertellen
dat ik ruzie zoek en het echt meenmaar ik schrijf mijn gedichten traag
en vertel iets anders dan ik je zou vertellenDe zin: ‘er hangt een rare mevrouw aan mijn kont’, komt in een ander gedicht precies zo terug. Dat is een goede vondst! Daarmee krijgt de zin iets van een rode draad, die de gedichten rijgt tot eenheid. En tegelijk krijg ik de indruk dat mij een kijkje wordt gegund in de intieme relatie die Hélène Gelèns heeft met haar partner. Ik denk dat ieder goed stel woordgrapjes heeft, of koosnaampjes, die voortgekomen zijn uit bijzondere, intieme momenten. Dat deze zin volgens mij zo’n zin is, komt doordat hij terugkomt in een intiem gedicht, ‘Schommel & Schommelaar’, een bedscène:
de rug vibreert als hij jubelspreekt:
er hangt en rare mevrouw aan mijn komtde vrouw die hem streelt zoekt de kont – daar!
en nog vrij! ze klemt haar handen rondomIn het vervolg van het gedicht wordt er gegiecheld en geschommeld, hoger en hoger tot het hoogtepunt bereikt wordt.
de rug giechelt de vrouw trappelt luchttrappelt
ja bungelt! ze zwaait haar benen op
op en achter, haar nagels zetten zich schrap
hoog en hoog achter, hoog hoog, ze maakt vaart
hoger hoger, vliegende vaart, hoger hoogst
hoogst hoogst, ze schiet over de kopDie vondst van de herhalende zin gebruikt ze nog een keer, met ‘alle straten hier voeren naar zee’, in een ander gedicht terugkerend als ‘alle straten hier lopen naar zee’. Hoewel deze zin minder opvallend is, vindt Hélène Gelèns hem blijkbaar wel belangrijk genoeg om hem te herhalen. Met mijn hoofd kan ik het niet helemaal verklaren, maar als ik het met mijn vingertoppen probeer te voelen, staat er dat uiteindelijk alles (bij haar) naar binnen leidt.
Nu ik, geloof ik, de ingang tot haar gedichten gevonden heb, en de bundel op de juiste manier ben begonnen, heb ik wel het gevoel dat Hélène Gelèns zelf niet overal haar eigen waarschuwing heeft nageleefd. Er staan namelijk een paar gedichten in deze bundel die beredeneerd zijn, te bedacht. Het uit drie delen bestaande ‘Uitzicht’ bijvoorbeeld, waarin in vogelvlucht drie levensfasen worden beschreven ( kind, jonge vrouw, oude vrouw). Maar als ze met gevoel spreekt, en dat doet ze in de meeste gedichten, en het is je gegegeven om haar te volgen, dan kom je heel dicht bij haar. En daarmee misschien ook wel dicht bij jezelf. Want, zeg ik na het lezen van deze bundel, bij het bouwen van een huis begin je natuurlijk met de naam. En die naam zeg je zo vaak, stamelend, ademend als tijdens een mantra, totdat naam en huis gelijk zijn geworden aan elkaar. Probeer maar:
Stamel de naam!
adem rustig in en uit, adem in
en uit, denk aan de naamdrager, in en uit
in en uit, goed zo, in en spreek de naam uithap naar de naam, probeer te happen
naar de naam als naar adem, zo ongeveer:
haphap, happen naar de naam, haphapniet hoesten, happen haphap, niet hoesten
adem rustig in en uit, adem in
en uit, niet hoesten, adem in adem insnak naar adem als naar de drager van de naam
hap naar adem, probeer te happen
naar adem, je moet nog stamelen, hap!hap!
Roodkoper, februari 2007 – 6/7