Huub Beurskens
De school aan zee
Uitgeverij Vantilt
Recenseren, hoe gaat dat bij mij? Soms vind ik zelf iets wat ik zelf heb gekocht de moeite van het bespreken waard, maar in de meeste gevallen stuurt de redactie mij een dichtbundel die zij belangwekkend acht. Dat zij daarbij ook kijkt of de dichter bij mij past, is me nu duidelijk geworden bij het boek “De school aan zee” van Huub Beurskens dat ik onlangs kreeg toegezonden. En ik wil de redactie hier op deze plaats een compliment geven: ik voel me gekend. En ook ben ik blij dat ik dit werk mag doen, want anders is het maar de vraag of dit boek op mijn pad was gekomen.
“De school aan zee” is geen poëziebundel, het is geen roman en het is ook geen essaybundel. Wat is het dan wel? Het is een geordende verzameling van zaken die Beurskens bezighouden. Hij volgde een beeldende kunstopleiding en werd schrijver, hij schrijft gedichten en vertaalt ze, hij schrijft essays en ook proza. In dit boek komt alles, geordend, samen. En aangezien ik mij met dezelfde zaken bezighoud, spreekt dit boek mij erg aan, wat overigens niet wil zeggen dat dit een boek is voort kenners. Nee, Beurskens legt uit en leidt ook de lekenlezers naar conclusies.
Het mooie van dit boek is dat de afzonderlijke hoofdstukken verdichtingen zijn van het boek als geheel, dat het boek een voorbeeld is van hetgeen erin wordt betoogt (het Verkade-effect). Het hoofdstuk over de Japanse versvorm haiku en renku bijvoorbeeld. Een haiku is een drieregelig vers (over de natuur), waarbij de eerste regel vijf lettergrepen heeft, de tweede zeven en de derde weer vijf. Een renku is een kettingvers van aaneengeschakelde haiku, met steeds een vers van twee keer zeven lettergrepen. Een traditionele renkusessie wordt gehouden met drie of vier mensen die om beurten zo’n, strikt aan regels gebonden, schakel schrijven, waarbij ze reageren op elkaar. Beurskens vertaalt zo’n sessie en legt uit waarom er wat gebeurt. “De school aan zee” (wat een aaneenschakeling is van teksten over schrijvers en schilders die hem aan het hart liggen en die hij met elkaar verbindt door regelmatig terug te komen op personages uit eerdere hoofdstukken) zou je kunnen zien als een renkusessie.
Het boek begint met “De hond van Alte”: een kort verhaal met een vertellende hond. De hond is een dorpshond zonder baas ergens in een Portugees dorpje. Op een dag verschijnt er een toerist (een Engelsman) die hem meeneemt op zijn wandeling. De hond denkt een baas gevonden te hebben. Als de hond erachter komt dat de Engelsman hem in de steek laat, plast hij zomaar tegen zijn broekspijp, waardoor de Engelsman, als in een sprookje, in een steeneik verandert. Op dat punt neemt de schrijver het verhaal over en vertelt hoe hij tot dit verhaal gekomen is. Je denkt dat je nu het verhaal leest zoals het echt is gebeurt, totdat opeens de Engelsman weer in het verhaal terugkomt, terugveranderd in een mens, en wezenloos vraagt in welk jaar we leven. Op dat moment begrijp je dat je voor de gek bent gehouden, dat het tweede verhaal net zo goed een verhaal is als het eerste. Verderop in het boek vertelt Beurskens over mimicry (comouflage) bij vlinders, en met name eentje die eruitziet als een vogelpoepje, als inleiding op Nabokov, die een meester was in mimicry. Op dat moment begrijp je “De hond van Alte” pas goed.
Tiepolo, een Italiaanse schilder, deed aan eenzelfde soort illusionisme: je ziet wat je niet ziet. Gelukkig is dit boek voldoende geïllustreerd zodat je ziet waar Beurskens het over heeft, maar hij vertelt zo mooi over de fresco’s in de Villa Valmarana, dat ik er zo naar toe wil om ze in het echt te zien. Maar met hetzelfde enthousiasme spreekt hij over Kitaj, Hochney en Rilke, en mét de componist Jacob ter Veldhuis, dat ik voorlopig genoeg te doen heb. En hij doet dat steeds in zulke rijke bewoordingen, met zo’n plezier geschreven, waardoor het lezen op zich al een plezier is en waardoor ik ook eigenlijk niet meer precies weet wát ik heb gelezen. Eenzelfde gevoel dat je kan hebben na het lezen van een mooie dichtbundel.
Dat er in dit boek ook gedichten staan heb ik nog niet genoemd. Vertaalde gedichten van William Carlos Williams en een prachtig gedicht van Les Murray, maar ook eigen, zoals de cyclus “De school aan zee” en het mooie sonnet waar Beurskens dit boek mee eindigt, en dat een zelfde cirkelbeweging maakt als “De school aan zee” zelf. Je leest het van begin tot aan het eind, en aan het eind begin je als vanzelf weer bovenaan.Duizend pijlen
Een blinde schiet duizend pijlen met zijn boog,
schrijft Han Shan op zijn koude berg, en die vallen
alle zomaar neer, maar één treft een mussenoog.
Kon ik maar pijlen schieten in ontelbare aantallen,denk ik in mijn kamer, ziende, warm en droog,
waarvan er nimmer maar één iets treffen zal en
ik zo levenslang mezelf niet alleen maar gedoog
omdat ik het ook niet helpen kan dat ik als allenben, als een mus die maar wat rondhipt op de aarde,
nooit het luchtruim kiezend om er rond te zweven,
maar meteen mahonia in of ten hoogste in een linde,te allen tijde erop bedacht dat van bestaan de waarde
nipt is, niet zozeer beducht voor de ene pijl gedreven
door een alziende maar voor de duizend van een blinde.
Roodkoper, juni 2002 - 3