Jacob Groot
Zij is er
Uitgeverij De Harmonie
Ik vroeg aan mijn vrouw of ze een gedicht wilde voorlezen uit ‘Zij is er’, van Jacob Groot, en gaf haar de bundel. Ze sloeg hem ergens in het midden open, keek over de pagina en begon. Na vier regels gestruikel smeet ze de bundel in mijn schoot met de woorden ‘sodemieter op’. Inwendig had ik die reactie ook al gehad, maar ik ben geduldig van aard. Bovendien denk ik: hij heeft het allemaal niet voor niets geschreven en als De Harmonie het heeft uitgegeven, moet het toch mogelijk zijn om in zijn woorden te kruipen. Dus pakte ik de bundel van mijn schoot en ging stug door.
Ik stel me zijn manier van dichten zo voor: een ingewikkeld uitgangspunt als idee voor een gedicht werkt hij uit met een ongebruikelijk gebruik van leesteken – zodat er volop manieren ontstaan om de zinnen te lezen – waarbij hij hier en daar afziet van de gangbare woordvolgorde en ook regelmatig woorden vervangt voor woorden die op een cryptische wijze dezelfde betekenis hebben. En bij dit alles neemt hij alle vrijheid om gedachtesprongen te maken.
Zij die ziek worden alleen al bij de gedachte aan redactiesommen, lees Jacob Groot niet! (Nee, open het boek niet als een versie van de werkelijkheid/ maar de werkelijkheid als een versie van een boek dat zich/ opent en de werkelijkheid sluit als een boek en dan pas/ open je: het boek van een werkelijkheid die wankelt van de letters..).
Zij die radeloos worden in een doolhof, negeer hem! (… een gat// in de lucht springen maar verderop wegzingen naar dezelfde/ nabijheid, onder ogen van de hemel gebogen: als er geen begin/ is: is er geen beginnen aan? is het eind dan zoek? Je zoekt naar/ het midden tussen beide: de weg waarop je naar school holt,// waarop je holt door de heg naar de wal…).
Zij die niet van cryptogrammen houden en die niet kunnen associëren, begin er niet aan! (Ons beraamd wanen: ons de doornenkroon niet van de golfkop/ laten stoten: de droomgestroomlijnde net op tijd doen stoppen/ in de neondag die de portieren sluit en dan meeschuimen…).
Zij die zij graag willen kruipen in de huid van een hoofdpersoon. Kies een andere dichter! Want in de meeste gedichten is een ‘je’ de onpersoonlijke hoofdpersoon, waardoor de afstand tussen lezer en dichter onoverbruggelijk is/lijkt. En de titels maken de kloof in ieder geval niet minder diep (‘het waait bij de gratie van de koers’, ‘vlak boven zijn aarde; ben ik zijn geweest?’,’hoe je binnenste bestaat’).
Er moeten dan toch voldoende mensen overblijven die eraan gaan beginnen, want ‘Zij is er’ is al Jacob Groot’s negende bundel. En het marktmechanisme werkt toch ook steeds beter bij de uitgeverijen, dus als zijn werk niet verkocht wordt, houdt De Harmonie er toch mee op?
Achterin de bundel staan enkele citaten uit recensies van eerder verschenen bundels. Een ervan is: ‘de meest romantische dichter van Nederland’ (het Parool). Ik ben het daarmee niet eens. Romantiek is voor twee. Jacob Groot schrijft voor zichzelf. En hij heeft er, en dat is prijzenswaardig, veel lol in. Verder is romantiek een zaak van het hart. Jacob Groot schrijft vooral uit het hoofd en ook moet je je hoofd er erg goed bij houden om zijn gedichten te lezen.Terug naar deze bundel: Jacob Groot heeft twee motto’s meegegeven: Wass kann ich noch tun? Ich kann nur zu Dir sprechen (uit ‘Fragemente der Undeutlichkeit’ van Botho Strauss Sigé) en Please don’t bother trying to find her – She’s not there (uit ‘She’s not there’ van The Zombies). ‘Zij is er’, maar het heeft geen zin om haar te zoeken want ze is er niet. Als dit de sleutel is om deze gedichten te lezen, of beter, niet te lezen, hoe dan wel? Kun je een gedicht lezen zoals je naar een schilderij kijkt, en zeggen: de woorden spreken me aan. Jacob Groot schrijft zinnen die bol staan van assonantie en alliteratie. Soms struikel je over mooie woorden: … van de kosmos een zoon, kosmetisch, zoneloos, gemorst als korstmos/ langs een rotsblok in een atlas die je las om te reizen.
Ik niet. Ik wil begrijpen. Dus laat ik het tweede motto voor wat het is. En het eerste motto: wie is ‘zij’? De poëzie? Godsdienst? (Die twee liggen bij Jacob Groot erg dicht bij elkaar!).De bundel begint met de afdeling: Aan de poëzie (Er volgen nog zeven afdelingen en in totaal staan er 42 gedichten in, grotendeels rijmloze sonnetten). Het eerste gedicht:
voor het begin van de poëzie
Je hoort het nieuws van een ondergang maar je weet niet
of het oud is of gelogen, omdat ze willen dat de schoonheid
donker wordt of geen waarheid proeven, en alles bij elkaar
breng je door uiteen te vallen in steeds grotere gehelen die je,gebogen over tafel, lijmt tot een plakplaatje. Eerst verschieten
de sterren, dan kwijlt het blauwste duister, het lover rafelt
over de dieren des velds, en ten slotte falen de veelbelovendste
namen in de slaap van de ribben. Daarna, in de allerlaatste plaats,is het de beurt aan haar, in de allereerste plaats aan wie zich jou
wil noemen uit naam van een mond. Meer kan je nooit doen:
de holte van je heelal zweemt naar de woning van je tong; ze gaatde deur uit aan een riem: in de ruimte vol begrippen die ze vraagt
om verlossing: van zichzelf, onbereikbaar ultraverre zielsmachine
op het godsblauw van een adem, in haar armen om je lippenDe eerste regel geeft meteen al een groot probleem: wat wordt bedoeld met het nieuws van een ondergang? En wie zijn die ‘ze’ die willen dat de schoonheid donker wordt? (De mensheid? Is Jacob Groot een zwartkijker?) Wat volgt lijkt een omgekeerde schepping: de sterren verschieten, de atmosfeer gaat kwijlen, de bomen rafelen, de dieren, en ten slotte faalt Adam, de mens. Het lijkt het einde der tijden. Maar het gedicht heet: ‘voor het begin van de poëzie’. Kan poëzie pas beginnen als alles kapotgaat? Of wordt met die omgekeerde schepping bedoeld dat de mensen steeds kleiner gaan denken, specialist worden alleen op hun eigen terrein, en valt op die manier de wereld uit elkaar. Hebben we mensen nodig (denkers: dichters en filosofen) die de wereld weer aan elkaar kunnen plakken? Voor de poëzie kun je in ieder geval niet meer doen dan de juiste voorwaarden scheppen (je mond open doen). Ze komt uit de immense (goddelijke) ruimte van het heelal (lees ook ‘hemel’), en tegelijk uit de kleine ruimte van het heelal in je mond (lees ‘verhemelte’), en gaat naar je tong, je mond uit. Poëzie wordt gebonden aan woorden en regels (aan een riem) en wordt uitgelaten in de ruimte van de mens (die vol begrippen is). De poëzie is een zielsmachine die op Gods adem drijft en die haar armen om je lippen slaat. Een prachtig beeldend slot waarbij de poëzie een wezen(tje) wordt van vlees en bloed. Ze vraagt om verlossing, maar wil ze dat echt?
Was de aanleiding van dit gedicht misschien het letterlijke ‘Nieuws’ op televisie waarin iemand de poëzie dood verklaart, zoals iemand eerder gedaan had met de schilderkunst?
Ik vind het in ieder geval een mooi gedicht, ook al begrijp ik niet alles en weet ik natuurlijk ook niet zeker of mijn associaties wel de goede zijn.
Roodkoper, december 2002 - 7