Jan Baeke
Zo is de zee
Uitgeverij De Bezige Bij
Op de voorkant van de tweede bundel van Jan Baeke, met de weinig uitdagende titel “Zo is de zee”, staat een verwarrende foto: afgebeeld staat het negatief van een foto waarop een vloedlijn te ontwarren is en in de verte iets van een pier of zo; daar dwars doorheen zie je organische vormen die eigenlijk niet te plaatsen zijn. Het is bijna abstract. Is zo de zee? Blijkbaar wil Baeke niet de lichte deining, de golven en de branding laten zien, maar wat onderhuids is.
De bundel begint met een gedicht dat de functie heeft van een gebruiksaanwijzing en aangeeft op welke manier deze gedichten gelezen dienen te worden:Het is geen zaak van massa
eerder één van geraamte
maar dan
zoals wij de botten aantreffen
op een wandeling langs strenge akkers
of op een bord
aan een belendende tafel.Dus hier geen kantenklaar en afgerond verhaal, maar zinnen en woorden als overblijfselen van zaken en gebeurtenissen. We moeten lezen zoals een archeoloog de gevonden potjes en botjes. We moeten uit de taal een geschiedenis reconstrueren. Dat dit geen eenvoudige poëzie oplevert, moge duidelijk zijn, maar zo is Jan Baeke. Je moet het geduld opbrengen om steeds opnieuw een gedicht door te nemen en te hopen op de vonk die nodig is om dieper en verder te kunnen kijken dan het geraamte. Maar het blijft speculatie. Niets is zeker. Aan de andere kant krijg je in deze gedichten alle vrijheid en geen enkele interpretatie is fout. Bijvoorbeeld het gedicht “In het voorbijgaan”
Ze zit in een trein
die mensen vervoert
maar haar coupé zit vol honden.Buiten lopen anderen door de rekwisieten.
Wat je hoort zijn hersenschimmen.
Het is een rustige reis
naar de maatstaven van treinen gemeten
maar wat weten treinen
van reizen.Straks komt de avond die zij wil
het ongemak
dat haar gevormd heeft
dat niet overgaat
omdat een avond niet als de seizoenen is
wat zij weigert te geloven.Als zij uitstapt
en in de armen van een vreemde valt
klinkt in de honden
een erbarmelijk verscheuren.Voor haar komen de seizoenen terug
maar de honden laten haar niet gaan.
Zij laat de honden niet gaan.
Wie is die vrouw? Ik zou het niet weten. Ik krijg de vrijheid om die vrouw het gezicht te geven van iemand die ik ken. Ze zit in een trein die mensen vervoert; zover is alles gewoon. Maar haar coupé zit vol honden! Hier wordt het gek. Even dacht ik aan het toneelstuk dat Wim T. Schippers schreef voor een aantal herdershonden (“Going to the dogs”), maar ik geloof toch niet dat ik die kant op moet.
“Hond” is ook een scheldnaam. Worden met “honden” de Joden bedoeld in de goederenwagons op weg naar de concentratiekampen? Laat ik vanuit dit perspectief de rest van het gedicht bekijken: Buiten lopen anderen door de rekwisieten. In vergelijking tot de Joden in de treinen is het leven van de mensen buiten de treinen nauwelijks de moeite waard, en bovendien zeiden de mensen niet echt wat ze vonden, want de waarheid was levensgevaarlijk, dus mensen speelden toneel.Wat je hoort zijn hersenschimmen. Een hersenschim is iets waar je onterecht bang voor bent. Men moet inderdaad wel bang voor de Joden zijn geweest, want anders is de hele geschiedenis niet te verklaren. Alleen als je bang voor iemand bent, ben je bereid tot het uiterste. Maar de angst was onterecht. Voor Joden hoef je niet bang te zijn.
Of wordt met die regel juist de bijna zichtbare angsten van de Joden in de trein bedoeld? Hersenschimmen! De schim van de dood?Het is een rustige reis. De transporten verliepen zeer georganiseerd. Juist die ijzigheid, die koelbloedigheid is zo beangstigend. En de treinen zelf hebben geen herinnering. Wat weten treinen? Mogen de treinen bewaard blijven? Kan je de treinen na de oorlog gewoon weer gebruiken voor normaal vervoer?
Straks komt de avond die zij wil. Moeilijke regels. Wordt met “de avond” de dood bedoeld? Heeft “overgaan” dan ook een dubbele betekenis? Wil de vrouw haar eigen dood? Moeilijk te geloven, maar aan de andere kant, ze is zonder verzet in die trein gestapt, terwijl ze heel goed aanvoelde dat het eindpunt geen goede plek was. Misschien voelt ze de dood als een bevrijding.
“Het ongemak”? Is dat haar Joodse identiteit, haar achtergrond, die haar gevormd heeft. Zal en kan zij niet veranderen, omdat de avond niet als de seizoenen is, wat zij weigert te geloven? Wordt hier gezegd dat bij de dood het leven ophoudt, dat er geen leven na de dood is, maar dat de vrouw dat weigert te geloven?Als zij uitstapt. Gaat zij dood? Is uitstappen hier figuurlijk bedoelt, of juist letterlijk en stapt zij uit de trein, en is de vreemde niet God of zo, maar gewoon een levende mens? Komt ze in een concentratiekamp terecht waar de gevangenen als familie van elkaar zijn? Wordt ze opgevangen door iemand die daar al langere tijd was? Dat vind ik het meest aannemelijke.
Juist in het kamp zal er naast alle ellende ook veel troost zijn gevonden.
Dan “klinkt in de honden een erbarmelijk verscheuren”. De vrouw ging linksaf, de honden gingen rechtsaf. De vrouw bleef leven, de honden werden afgemaakt, of geruimd, zoals we dat tegenwoordig noemen.
De vrouw overleeft het kamp. Voor haar komen nieuwe seizoenen. Maar de herinneringen kan ze niet kwijt. De rest van haar leven zal ze verbonden blijven met de honden in de trein.Op deze manier kan ik het gedicht uitleggen, al loop ik het risico de plank volledig mis te slaan. Dat risico moet ik maar nemen En zoals Baeke het zegt in het titelgedicht: het kan nooit helemaal juist zijn, maar zo is de zee.
Roodkoper, juni 2001 - 4