Altijd het niemandsdier
Jan Boerstoel

Uitgeverij Bert Bakker

 

Humor is een ondoorgrondelijk fenomeen. Je kan de slappe lach krijgen door een onverwacht voorval, maar wil je daarna aan iemand anders vertellen wat er grappig was, dan blijkt de chemie niet meer te werken. Maar in sommige gevallen juist weer wel: iedere keer opnieuw als ik Toon Hermans zie en hoor vertellen van zijn Sinterklaasavond, moet ik lachen, ook al weet ik precies wat er komen gaat. Als de sketch uitgeschreven zou zijn, zouden de grappen waarschijnlijk niet werken. Dat wil niet zeggen dat geschreven taal niet humoristisch kan zijn: bij het lezen van een roman kun je plotseling aan het lachen gemaakt worden door de schrijver. Of een geschreven mop! Maar verteld is het altijd leuker- mits goed verteld. En hoe zit het met light-verse; dat is geschreven met de bedoeling om humoristisch te zijn. Jan Boerstoel, een van de grote onder de lichte dichters, bracht vorig jaar een selectie uit van zijn sonnettines (twee strofes van vier regels en één van twee waarin zich meestal het hoogtepunt van de grap bevindt) die hij schreef voor het Algemeen Dagblad. Schrijft hij humor? Ja, de humor van de glimlach. En daarin is hij goed.
De bundel met vijftig gedichten leest net zo licht als het genre aangeeft. En ze gaan over alles: de keerzijde van moderne communicatieapparaten, de bakker, een tennisleraar, Elvis Presley, aandelen. Maar in alle gedichten klinkt kritiek door op onze moderne samenleving, en daar laat Boerstoel zich kennen. En als je wil, kun je hem ook nog zien als de kat die hij in het openingsgedicht beschrijft: altijd het niemandsdier, dat niemand nodig heeft. Drammen doet hij nooit; op zijn hoogst prikt hij. Soms is hij boos, bijvoorbeeld tegen luidruchtige trein-gsm’ers. Soms is hij weemoedig, bijvoorbeeld bij het -steeds vaker- zien van overlijdensadvertenties van oude bekenden, of zelfs oude vrienden: en je de pijn voelt van een nooit beseft gemis,/ die voor een ogenblik niet te verdragen is. In alle gevallen beheerst hij het genre.

Op een paar momenten houden de woorden, ook bij her- en herlezing, de chemie van de humor zoals bij Toon Hermans. De woorden hebben dan betekenissen die je niet tegelijkertijd kunt ‘zien’, zoals bij optische grappen (de tekening van het gezicht van een oude vrouw, waarin je ook het lichaam van een jong meisje kunt zien, maar niet tegelijkertijd).
Bijvoorbeeld in het gedicht Fastfood, waarin ons moderne eetpatroon beschreven wordt (worsten,burgers, kroketten): de haasthap, refererend aan de haast waarmee/ men almaar oerwoud platbrandt en scharminkelvee/ de strot afsnijdt om onze vaten te vervetten. Hij eindigt met deze twee regels:

Gauwkost, symbolisch voor ons jachtige bestaan…
(Of rouwkost voor wie de gevolgen ondergaan.)

Ik heb het woord ‘rouwkost’ onderstreept. Een geweldige vondst.

Bij een ander gedicht, ‘Toeristen’ heb ik het woord ‘spuiten’ onderstreept. En het beeld van een junkie die zijn heroïnespuit leegspuit in de lucht, zoals muggenhaters de spuitbus, lijkt alleen maar sterker te worden naarmate ik het gedicht vaker lees:

De eersten zijn alweer gesignaleerd en dat
is nogal vroeg, dat kan van jaar tot jaar verschillen,
compleet met hoedjes, camera’s en zonnebrillen,
nog even en ze overzwermen weer de stad.

Ze hebben zelden iets kwaadaardigs in de zin,
maar rust en stilte kun je voortaan weer vergeten,
ook staan ze vaak in trams tegen je op te zweten
en aanstonds kun je weer je stamcafé niet in.

Het is een plaag, die bij de zomer schijnt te horen…
En spuiten helpt niet, wordt mij door een junk bezworen.

 

Roodkoper, maart 2002 - 1