Joep Kuiper
Monarchieën

Uitgeverij Meulenhoff

 

Joep Kuiper zoekt met zijn debuutbundel de confrontatie met het publiek, hij zoekt ons op met schreeuwerige zinnen. Ik weet niet of hij wel eens optreedt, maar hij zal niet misstaan op de podia van de poetry-slam – met veel gebaar en luid van toon hoor en zie ik hem uit het hoofd zijn gedichten voordragen; de toehoorders worden overdonderd door zijn woeste woorden, zoals die uit het gedicht ‘Een sprookje’:

Als ik nu eens dit kirrend kwelder uit je smoel voortstuwend
keeldons openritsen zou zoals men dieren  voedt je eindelijk liefheb
om de huid pacht van zeeën waar mijn messen drijven zullen spiegels
waaruit vioolmuziek reeds breekt je dan de ogen ramen naar de ziel
mon cul doen sluiten om je irritante stuipen dit staccato
hinderen van of dacht je soms nog dat er mensen zijn zo mooi dat
zij de lampen laten branden bij hun sterven en hun minnaars
vragen om zich af te rukken op de witte vlekken op hun hoofd
waar het bloed blijkbaar al weggetrokken was de grond in?

Het publiek krijgt niet de kans om na te denken over wat gezegd is, want elk woord buitelt over de ander. Wat ze precies gehoord hebben?
De bundel van Joep Kuiper heet ‘Monarchieën’ en is opgedeeld in hoofdstukken als ‘De troonsbestijging’, ‘De troonrede’ en ‘De regeerperiode’. In het laatste hoofdstuk,‘De troonopvolger’, maakt een jonge Kuiper zijn entree op het podium. Zou Joep Kuiper zichzelf zien als de troonopvolger van Lucebert?  De keizer is dood, leve de keizer!

Zeker, wie niet bang is om te roepen, en wie alle registers open kan trekken en zeggen wat maar in hem opkomt, maakt soms intrigerende woordcombinaties. Een verzameling: ‘het steengeworden dampgraf’, ‘ik kus mijn oog de grond in’, ‘ik draag de laatste schede van het ras rondom de schedel’, ‘als een vader neem ik het de adem af’, ‘als boter op een warme tiet’, ‘witte tanden kabbalistisch’, ‘lachend voor mijn voeten in het gras’. Joep Kuiper schrijft energieke zinnen, maar zijn gedichten nodigen mij niet uit om te zoeken naar hun inhoud, want als alles mogelijk is, zoals hij zelf stelt, dan zou het best wel eens zo kunnen zijn dat er niet altijd wat te vinden valt en dat we hier te maken hebben met een keizer zonder kleren.
En om dan terug te komen op de tweedeling in de poëzie: als dit gedichten zijn waarin de betekenis niet het belangrijkste is, dan moet het wel de vorm zijn waarom het gaat. En dan bedoel ik niet de vorm van het schrijven, maar de vorm van het voordragen: luid en met veel bravoure.

De martelaar

 

Graaien gritsen dood vergroeien opgesloten
tussen dubbelglas als boter
op een warme tiet

de lampen in mijn botten rimpelen verbrijzeld
licht uit vergeelde wolken
denderen de eerste kilo’s melk-

witte tanden kabbalistisch
lachend voor mijn voeten in het gras –

de sirenes van de ambulances
laten echter horen dat de mensheid nog bestaat.

Vanaf nu is alles mogelijk.

 

Roodkoper, lente 2004 - 1