K. Michel
Kleur de schaduwen

Uitgeverij Augustus

 

Om te beginnen wil ik stellen dat als een dichter eenmaal bekroond is geweest met de prestigieuze VSB-poëzieprijs, zoals K. Michel in 2000 met de bundel Waterstudies, al zijn bundels erna het sowieso waard zijn om gelezen te worden, omdat als iemand eenmaal bekronigswaardige gedichten kan schrijven, dat andermaal niet opeens verleerd is.
Dus: koop Kleur de schaduwen van K. Michel.
Om diezelfde reden wil ik in dit stuk niet praten over de kwaliteit van de gedichten, maar meer uitleggen hoe ze in elkaar steken, praten over wat volgens mij de achterliggende gedachten ervan zijn.
K. Michel schrijft associatief en tegendraads; hij probeert het onverwachte te bedenken. Ik stel me voor dat als ik een taalspelletje met hem zou spelen, en ik hem daarbij zou vragen te associëren op het woord rood, dat hij dan natuurlijk niet de clichématige associaties zou geven, zoals hart, liefde en hart of agressie, maar bijvoorbeeld deur zou zeggen – draai het woord rood om en dan krijg je door, het engelse woord voor deur – zo’n dichter is K. Michel. Zo schrijft hij bijvoorbeeld een bijzonder aparte bewerking van een van de meest gespeelde en uitgeplozen toneelstukken van de 20ste eeuw, Waiting for Godot, van Samuel Beckett: hij beschrijft het stuk door zich in te leven in de figurant en het publiek, het toneel, de dialoog en het applaus. Niet het stuk staat centraal, maar de omstandigheden waarin het stuk tot leven komt.
Iets dergelijks doet hij ook in het gedicht De negen levens van de bouwlokatie, waarbij de tijd centraal staat:

begonnen ben ik als trilveen
in de tijd dat het hier een en al moerasbos was

het stikte van de enge beesten
en het klimaat was aan de hoekige kant
maar al met al een eerlijk bestaan

De bouwlocatie maakt in zijn eerste leven mee dat de Batavieren komen, en in zijn derde leven dat er een herberg wordt gebouwd, annex paardenwissel voor de postrijders; in zijn achtste leven is hij het braakliggend terreintje aan de rand van de stad, slechts gestoord door zwerfkatten, politie-en-boevende kinderen. Zijn gedicht doet me denken aan het gedicht Duizend van Esther Jansma, waarin zij in 69 vierregele strofen met grote stappen door onbekende stukken van de  Europese geschiedenis loopt. In  hun vorige bundels benaderden zij overigens ook al, hetzij ieder op hun eigen manier, een gelijksoortige onderwerp: zij schreven allebei over Willem Barentsz. Hangt zo’n onderwerp in de lucht, of laten ze zichzelf door elkaar (en andere dichters) beïnvloeden? Ik denk het laatste. In dat licht zie ik ook de overeenkomst tussen het gedicht Als bootjes in het donker, van K. Michel, en Hoe iemand voor een ander bestaat, van Marijke Hanegraaf. Midden in de hal van het Centraal Station, schrijft K. Michel, tussen de door elkaar/ haastende mensen merk ik dat mijn linkerschoenveter loszit;/ gevaarlijk want de tegelvloer is glad. Terwijl ik buk hoor ik voor/ mij een luid getik, er komt een man aangelopen die breed voor/ zich uit tast met een witte stok en zo ruim baan maakt. Vanaf de andere kant komt nog een blinde aangelopen. Komt het aan op een ontmoeting? Is het gepland? K. Michel laat dat in het midden, want het moment lost op, hij kijkt niet meer. Als bootjes in het donker bewegen we  langs elkaar heen./ Ja, maar welk donker? Dan het gedicht van Marijke Hanegraaf: Een vrouw loopt in de stationshal van de ene uitgang/ naar de andere, net als iedereen, maar traag. De vrouw blijkt een zonderling te zijn die in zichzelf praat. En op het eind: Als je even niet kijkt is ze weg./ Merkwaardig hoe ze een leegte beslaat. Heeft K. Michel dit gedicht gelezen?
Het volgende gedicht van Willem Hussem kent hij ongetwijfeld: zet het blauw/ van de zee/ tegen het/ blauw van de/ hemel veeg/ er het wit/ van een zeil/ in en de/ wind steekt op. K. Michel doet het anders, maar het uitgangspunt is hetzelfde: uit niets maak je iets. Teken een lijn en al scheppend heb je zoals God in Genesis de aarde van de lucht gescheiden:

   a
trek een lijn
en er loopt een horizon
trek nog een lijn
en er ligt een rivier

….

   c
vul nu de namen in en kleur
de schaduwen en het water
blauw komt de stroom op gang

K. Michel is een verzamelaar van gebeurtenissen en opmerkelijke feiten die hij inzet voor geschreven collages. Okay is zo’n collage. Dingen die in wezen niets met elkaar te maken hebben, maar als ze in de collage bij elkaar zijn komen te staan, blijken ze toch verwant:
Een kaart is een landschap/ dat je op kunt vouwen/ Brieven hebben een stem/ maar onbestelbare hebben een ziel/ In het Engels heten ze dead letters/ Eenmaal retour worden de brieven/ samengeperst en versnipperd/ Dit verklaart het ontstaan van sneeuw/ en de aanwezigheid van dwaallichtjes niet. Je hoeft als lezer niet te zoeken naar betekenis, maar je rustig te laten leiden langs de beelden die worden opgeroepen.

In zijn bekroonde bundel Waterstudies stond een hitsingle, het zevende gedicht van de bundel: Het magerebrugwonder. Het zevende gedicht in de bundel Kleur de schaduwen is ook zo’n hitsingle, zo’n gedicht met eeuwigheidswaarde: Ook de vissen.

Ook de vissen

 

Zou je de Haagse Hofvijver overeind zetten
rechtstandig als een majestueuze wand van water
om het licht de diepte te laten doorstralen
om de stad een doorzichtige spiegel te bieden

een oudgouden glans zou over de huizen strijken
en iemand roept als eerste ‘kijk’ en wijst
toeterend komt het hele verkeer tot stilstand
abrupt worden alle vergaderingen opgeschort
en de straten vullen zich met ogen en geroezemoes

een vorstelijk banket, jagers in een herfstbos
zegels en paperassen, gesluierde naakte vrouwen
iedereen ziet in de vijverwand iets anders
maar allemaal blikken ze diep in de tijd terug

En eindelijk kunnen de hofvissen ook eens
over de schubbenhuid van de daken uitkijken
naar de glinsterende torens en ijspaleizen
de bomen bij de duinen, het gele strandzand

‘kijk,’ stoten de vissen elkaar aan, ‘dat zilvergrijze
dat schitterende schuimende, woelende weidse
dat zich daar uitstrekt tot aan de einder en verder
dat is nou de zee, ja dat daar is de zee’

 

Roodkoper, winter 2004 - 4