Lidy van Marissing
Een kraken is te horen

Uitgeverij Van Gennep

 

Goede poëzie is tijdloos en heeft geen houdbaarheidsdatum. Dus waarom alleen recente uitgaven bespreken?
Ik wil hier graag de bundel ‘Een kraken is te horen’, van Lidy van Marissing, uit de schaduw halen. De bundel stamt uit 2001, maar werd toen nauwelijks opgemerkt. De bundel verdient een herkansing.
Van Marissing schrijft vanuit de schemering. Zij ziet de wereld niet zoals gewone mensen doen, die duidelijkheid verkiezen boven verwarring. Met een vaste baan, goede verzekeringen, een geregeld vakantieleven en op gezette tijden een feestelijke uitspatting denken zij hun leven onder controle te hebben, denken zij hun geluk te zullen verwezenlijken. Van Marissing wijst ons de werkelijke weg in de (onze/ haar?) gedachtewereld. Graag loopt men traag/ langs de randen van/ zichzelf. Haar gedichten zijn bepaald geen vakantiekiekjes of stemmige vergezichten, maar landschappen als netwerken van/grillige krassen en krasjes, ontelbaar, zwart/wit / waarin wij: gedijend in licht, bepakt/ en beduimeld, onze sprekende figuren soms krom/ gebogen, soms met geknakte arm of rug/ een struikgewas het hoofd. Met andere woorden: als je goed kijkt, zie je de mens.
Al vanaf haar debuutbundel, ‘De plons van een vlok’, spreekt Lidy van Marissing een geheel eigen taal: een buiteling van (ondagelijkse) gedachten en halfafgemaakte zinnen, omringd door haakjes en leestekens. Ze is in de tijd abstracter gaan schrijven en helaas spaarzamer geworden met beeldspraak. Ik zeg helaas, omdat juist haar beeldspraak zo mooi is. Bij haar debuut noemde ze bijvoorbeeld een kopermijn het klokhuis van de aarde, en nu in deze bundel schrijft ze over het kijken van een steenuil in de schemering: ‘de blik een zachte steenworp’. Als ze zo kijkt, dan kan ik haar blik niet ontwijken.

Als Lidy van Marissing een beeldend kunstenaar zou zijn, zou ze grote werken maken op papier, grote vellen voltekenen met houtskool en krijt; sferische tekeningen waarin alles door elkaar, flarden van mensen, gezichten, halve voorwerpen, bewegingen zonder duidelijk begin en eind. Tussen de chaos van lijnen zouden sommige stukken landschappelijk zijn en herkenbaar. Het geheel zou moeilijk te bevatten zijn, maar heel indringend: overwegend grijze, wazige werken die op vele manieren uit te leggen zijn. Zoals gedachten. Gedachten hebben geen begin en eind maar ontstaan uit de schaduw van eerdere gedachten, lichten op als alternatief tussen haakjes of liggen in stilte op de achtergrond. Of, invallen vallen zichzelf in/ de rede, zoals ze schrijft in het laatste gedicht van ‘Een kraken is te horen’. Het vergt dan ook de nodige hersenactiviteit om haar te volgen.

De bundel bestaat uit 4 hoofdstukken van 12 gedichten en een vijfde hoofdstuk van 1 gedicht.  Die aantallen hangen naar mijn idee samen met tijd, met uren en dagdelen (niet zozeer met seizoenen en maanden). Stilstand is vooruitgang’, heet het eerste hoofdstuk: tussen / de muren hangt een dag/ ergens moeten we toch zijn/ /proberen nog weg te schuiven uit/ ingevreten beelden, ingebeelde scènes uit vorige/ nacht, aangespoeld op kreukbare lakens// elke dag loopt zwart onder water/ voor het zover is/ zijn wij liefst vertrokken. Slapen is in die zin reizen op de plaats. (In een eerdere bundel schreef ze al: ‘zo zoek je eeuwig een weg, terwijl je een plek vindt’)
Het tweede hoofdstuk heet ‘Gesprek van de dag’, het derde ‘Gezelschap’ en het vierde ‘Opschudding’. Dus ook de titels geven te denken in de richting van een tijdsverloop: de dag verdeeld in ochtend, middag, avond en nacht, waarbij in het eerste en vierde hoofdstuk de slaap, deur in, deur uit, het duidelijkst aanwezig is, het schemergebied van ons bewustzijn.
Het laatste, opzichzelfstaande gedicht zou als conclusie mogen worden gezien. Ons hoofd is geen opgeruimd huis, maar een struik vol gedachten, waarbij we onszelf steeds meer in de war denken. En wat zijn onze taken? Hoeveel verplichtingen en mogelijkheden hangen er als vogels in de kamer?
Vier poten telt hier elke stoel, zorgt even voor wat rust en duidelijkheid, maar (te) snel volgt de angstaanjagende werkelijkheid van het geheugen, want in elke kast huilt een kind, en ben je omringd door het opdringerige leven van mens en stad. De raad van Lidy van Marissing  is deze: geluk moet je maken, jezelf wijsmaken, geluk is een draad die je spint. Sluit je af van de wereld en laat zo het leven maar voorbijgaan, je hebt meer dan genoeg aan je eigen hersenspinsels.

invallen vallen zichzelf in
de rede, tuimelend denkt
men, zwijgt of zingt of windt een ander om
een vinger, neemt snel hele hand –

alles is voorbij
gevlogen, zoveel woorden, hoeveel
vogels hangen nog tegen deurpost, ramen, kamer-
muren? aan het plafond kleeft licht

vier poten telt hier elke stoel
in elke kast huilt een kind

(een scène? een schaduw, klapwiekend)

omringd door kringen
van mensen, gordels van pleinen, terreinen
tuinen per strekkende meter, woekering van belten
hindernissen, een herrie van straten

‘geluk is een zalige stilstand’
(en hoe zij keek toen ze dat zei)
hij duikt nu wat dieper
in jas of trui of pluismatras

‘een draad die men spint’
al doende zo zichzelf voorbij
te laten gaan

 

 

Roodkoper, lente 2003