Een grimwoud in mijn keel
Liesbeth Lagemaat

Uitgeverij Wereldbibliotheek

Ik ken Liesbeth Lagemaat niet persoonlijk, maar haar naam roept wel het een en ander bij mij op: in de zomer van 1999 verschenen er voor het eerst een paar gedichten van haar in tijdschrift De Tweede Ronde. In het herfstnummer van dat jaar debuteerde ik daar zelf. Haar debuut betekende een begin van een lange reeks publicaties in dat blad, in bijna elk nummer stond ze; mij is het na mijn debuut slechts een enkele keer gelukt om iets te schrijven dat door de redactie werd goedgekeurd, ik kreeg vooral afwijzingen. Haar naam roept daarom op de eerste plaats een lichte vorm van jaloezie bij mij op: zij wel, ik niet. Daarnaast is ze ongeveer even oud als ik, schrijft ze volgens mij met een vergelijkbaar gemak, beeldend en talig, kortom allemaal redenen voor mij om mij op een wedijverige manier met haar verbonden te voelen. En nu is haar debuutbundel bekroond met de Buddinghprijs, de jaarlijkse prijs voor het beste debuut. Gefeliciteerd, Liesbeth!

Een grimwoud in mijn keel, heet de bundel. Wat is een grimwoud? Van Dale geeft geen antwoord. Komt het woord van grimmig? Grimas? Verwijst het naar de gebroeders Grimm? In het gedicht waaruit de titel is geplukt, staat er: Een Grimmwoud in mijn keel. Dus, de titel roept naar een bosaardig sprookjesachtig bos op dat in een keel woont. Daar komen vreemde woorden van (Raban, Raban, Raban, om eventjes met Buddingh te spreken). Maar als je de weg in het bos een beetje kent, verdwaal je niet.
De voorkant (witte letters op een paarse, ovale vorm, met onderaan een rondje met streepjes erover, een geheel dat zich laat uitleggen als een sterk geabstraheerde mond, met in de diepte een keel, en in die keel een sterk geabstraheerd bos) is meteen een goede illustratie van de manier waarop Liesbeth Lagemaat de werkelijkheid vertaalt, vervormt, abstraheert. In het eerste gedicht laat ze goed zien wat ze doet: spelend als een kind de werkelijkheid los durven laten, en de wereld veranderen. Als je de kunst van het vrije kijken verstaat, dan kun je in de schaduw die over je hoofd valt, makkelijk een helm zien; een vijver kan veranderen in een bokaal en een kind dat steentjes in het water gooit, gooit dan met kringen.

Zie. Hoe. Een helm van schaduw op het hoofd. Maatwerk?
Ook wees de wind al in de juiste richting. En de vijver?
Een bokaal, gelei. Wijnkleurig, needatniet. Het kind gooide met kringen,
losse pols, ving elke dag een verse zon in zijn oranje emmer.

De kunst van het zetten van de werkelijkheid naar onze hand, hebben we geleerd van de schilders, de expressionisten, zoals Gauguin, Munch, Macke, Kirchner. Nu kijken we er niet van op als een kunstenaar blauwe bomen schildert, de wolken rood en de zon zwart. De geschilderde werkelijkheid hoeft niet meer verbonden te zijn met de zichtbare werkelijkheid, we hebben zelfs volledig abstracte schilderijen geaccepteerd. Als je de werkelijkheid benaderd wil hebben, maak je wel een foto.
Wat de expressionisten deden met verf, doet Liesbeth Lagemaat met woorden: iemand draagt zijn schedel als een bloem, de wind kan kwispelstaarten, nagels zijn een oeroude kam, en je huid is van vos. Het meeste is navoelbaar, door de context. Ingewikkelder wordt het als in gedichten verschillende zintuiglijke waarnemingen met elkaar worden verbonden, zoals in: je stem van oker, of het denken is zout en bruin. Dit doet me denken aan de laatste serie Zomergasten, waarin fysicus Robbert Dijkgraaf een fragment toonde van een documentaire over mensen, zoals hijzelf, die kleuren verbinden aan mensen en voorwerpen. Het woord tafel was bijvoorbeeld groen, stoel was roze. Een bijzondere en ogenschijnlijk mooie gave. Het verwarrende is echter dat de combinaties persoonsgebonden zijn: is de stoel bij de een verbonden met groen, voor de ander is dat ontegenzeggelijk met rood. Zeggen dat het woord stoel groen is, staat voor de ander gelijk met vloeken, en zo ontstaat er makkelijk een Babylonische kleurverwarring. Eenzelfde gevaar dreigt ook een beetje bij deze gedichten die boordevol zitten met metaforen.

De bundel telt 33 redelijk lange en brede gedichten, heeft geen hoofdstukindeling, geen inleiding of aantekeningen, kortom, zonder gebruiksaanwijzing. Je moet gewoon beginnen met lezen, en ontdekken.
Ik bleek de gedichten zelf, vooral in het begin, (aan het eind, als ze schrijft over haar moeder, wordt de ruimte waarin je het gedicht plaatst kleiner en wordt je innerlijke leesstem vanzelf een beetje zachter) te lezen als theaterteksten voor een imaginair groot publiek, als monologen met bijbehorende tempo- en emotiewisselingen, over de zinafbrekingen heen lezend en rust nemend op andere plekken dan aan het eind van de strofe, en niet gehinderd door een vast ritme of rijm –  want die beperkingen legt Liesbeth Lagemaat zichzelf nergens op. Probeer maar eens, met de stem van Ko van Dijk of Mary Dresselhuys:

Vervloekte Alighieri
1.

 

Nee, er is geen Beatrice in de tuin. Ook niet

wanneer de bladeren, als zwaar verzilverde lepeltjes,
zwaluwen: kleine, hoogmoedige duivels. Uitgeknipt
in dit azuur: een hoofse handschoen past mij niet.

En dan: ben ik die vrouw? Dat nooit. Er is geen
Beatrice. Angst en leegte vullen zich met kringen –
of een kind met eigen schaduw speelt.
Wij tekenen geen cirkels in het gras. Je bent

het spierweefsel, de tors van mijn verlangen.
Kapotgeschoten bunkers laat ik je zien en
een gestorven strand, ik weet het: je merg en je bloed
smaken zwart, er is geen dame die, geweven uit een visioen.

Noem mij geen Schoonheid en geen godgelijke –
wij zijn partijen. Het is oorlog.
Duinkerken, nu en hier. Of, zo je wilt: Dunkerque,
mon amour. Wij eten deze liefde: een pastiche.

 

Roodkoper, oktober 2004 - 4