Maria Barnas
Twee zonnen

Uitgeverij De Arbeiderspers

 

Ik hou van poëziedebuten, omdat bij die dichters alles nog open ligt, een hele ontwikkeling nog is te gaan. En als ik dan het eerste gedicht lees, dan hoop ik betoverd te worden, dan hoop ik een taal te lezen die me overvalt en overwint. Dus ook de bundel ‘Twee zonnen’, waarmee Maria Barnas debuteert (zij heeft al twee romans gepubliceerd bij de Arbeiderspers), sloeg ik hoopvol open.
Wat is poëzie eigenlijk? Natuurlijk is dat een onmogelijke vraag, maar ik wil toch proberen daar een antwoord op te geven. Poëzie kent veel verschijningen; er is een grove tweedeling mogelijk: poëzie die de nadruk legt op uiterlijk (vorm, rijm, klank, metrum) tegen poëzie die de nadruk legt op innerlijk (betekenis). Meteen is die tweedeling al verkeerd, want klank hoort aan de ene kant bij het innerlijk –  een gedicht bevat namelijk energie, die vrij komt zodra het (hardop) gelezen wordt –  maar aan de andere kant ook bij het uiterlijk: als een gedicht niet goed loopt, dan moet er wel wat aan de vorm schorten.
De innerlijke poëzie zou je ook weer kunnen onderverdelen in poëzie die naar binnen gericht blijft tegenover de poëzie die naar buiten treedt en zich richt op de lezers.
Aan de intrigerende foto op de voorkant van de bundel ‘Twee zonnen’ (door Elspeth Diederix) is al iets af te lezen: er ligt een meisje voorover aan de kant van een slootje vol met kroos; ze heeft haar hoofd onder water. De foto is energiek en belooft krachtige poëzie. De foto toont tegelijk iemand die onder water kijkt, als het ware in zichzelf. Weten wij wat ze ziet? Dan de geheimzinnige titel: ‘Twee zonnen’. Dat belooft een bijzondere kijk op de wereld.
Maria Barnas is een dichter die vanuit zichzelf schrijft – maar ze leest haar gedichten niet na niet met de ogen van een ander. De betekenis in haar poëzie is belangrijk, maar het is vaak moeilijk om te zeggen wat die betekenis is. Ze schrijft gedichten vol specifieke dingen en beschrijvingen, maar het is vaak onnavolgbaar waardoor ze verbonden zijn. Bijvoorbeeld:

Van liefde een vrouw

 

Een dag, een uur, een hand telt een glas
een bodem sinaasappelsap, minuten. Krassen
krassen in de tafel: waar blijf je nou.

Er is geen sprake van iemand iets gunnen
of een vraag. Wat zich voltrekt is gesloten
als een mond die weigert antwoord te geven
en gelijk eist. Hoe groot ben ik waarin ik tekort-

schoot? Ik maak van liefde een vrouw.
Soms is het nodig klein te maken. Vijf vingers
vegen de mond af die ik eenmaal kus.

Het gedicht gaat, denk ik, over verwachtingen die niet worden ingelost en over onbegrepen       
gevoelens. Maar hoe het nu precies zit? Het gedicht roept bij mij door die bodem      
sinaasappelsap mijn eigen kind op, de periode van toen hij nog klein was en ik elke ochtend sinaasappelsap
voor hem uitperste, maar die herinneringen hebben niets met het gedicht te maken. En de zin ‘ik
maak van liefde een vrouw’, zal wel diepzinnig zijn, maar maakt voor mij geen wak in het kroos.
Ik hou van poëzie die duidelijk, met bijzondere woordcombinaties en opmerkelijke beelden een overtuigende wereld oproept. Dat Maria Barnas in staat is om zulke poëzie te schrijven, bewijst ze met het titelgedicht, waarin een liefdesgeschiedenis wordt verteld. Ze had twee zonnen; de man neemt ze allebei mee en verdwijnt uit haar leven. De vrouw heeft alleen de ringen.

Twee zonnen

 

Wanneer ik ga slapen ligt de zee nog steeds beneden
en altijd is de zon me voor.

Ik sta bij een uitsnede
van donker water en later ben ik bij de boten

met zeilen wit zo licht als opgeluchte stemmen
en tussen de schaterende meeuwen wel eens opgetogen.

Maar in de ring die ik kreeg sta ik scheef
naast een datum. En ik zie hem in de verte
gaan, met een zon. Slordig herhaald in het raam.

Hij noemde me Bloem. Ook wel Lente, Sexy, Liefste,
Liefde, Lief en de laatste tijd steeds vaker
Lieverniet, Neelater, Alsjeblieft.

 

Roodkoper, lente 2004 - 1