Maria de Groot
De wals

Uitgeverij Ten Have

 

Gedichten lezen….hoe doe je dat?
Het ene gedicht begrijp je beter door het juist niet te willen begrijpen, maar meer te voelen, het andere zit boordevol klank en zou je moeten proeven door het hardop te lezen, voor te dragen; het derde gedicht zit vol met dubbele lagen, dus moet je erin wroeten naar verborgen betekenissen, het vierde etc. Zoveel gedichten, zoveel manieren van lezen.
Zou ik de vraag niet groter kunnen maken? Kunst beleven, hoe doe je dat?
Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat de mensen dat vroeger beter wisten dan de mensen nu. Er was een traditie van kunst kijken (lees ook: gedichten lezen) en er golden duidelijke normen voor schoonheid. Dat is nu anders. De norm wordt gesteld door de kunstenaar en het publiek moet zich vaak eerst verdiepen en inleven in de maker van het kunstwerk om te kunnen voelen en ervaren wat de kunstenaar bedoelde.
Er is een behoorlijk grote kloof ontstaan tussen kunstenaars en het publiek, die volgens mij alleen maar overbrugd kan worden door de kunstenaars. De kunstenaars moeten beter uitleggen wat ze aan het doen zijn. Schilders, fotografen, grafici en ….. dichters.
Het zou mij een goed idee lijken om bij het begin van een poëziebundel een gebruiksaanwijzing te hebben, geschreven door de dichter zelf, waarin dan allereerst staat op welke manier de gedichten volgens de dichter het best gelezen kunnen worden, maar ook dingen over de inhoud. Er zou natuurlijk wel iets van de magie verdwijnen, maar de poëzie zou aan toegankelijkheid winnen.
Als ik mij vervolgens zo’n gebruiksaanwijzing bij ‘De wals’ van Maria de Groot voorstel, dan zou daarin staan dat de gedichten in de eerste afdeling gelezen kunnen worden als gebeden, psalmen, dat de woorden oproepen tot inkeer, innerlijke stilte en dat de dichter heeft geprobeerd God zichtbaar te maken, zodat een lezer die deze gedichten tot zich neemt, God in zichzelf zou kunnen zien. In die gebruiksaanwijzing zou ook staan dat de taal waarvan de gedichten gemaakt zijn, geweldloos is en het liefst zacht zou moeten worden uitgesproken.

Geweldloze taal: woorden als adem en licht, naam, grond en zee. Dat lijken versleten woorden en zijn ook wel veel gebruikt, maar dragen een kracht in zich die je goddelijk zou mogen noemen, of spiritueel. Dat soort goddelijke taal probeert Maria de Groot te spreken. En dat lukt haar.

De naam

Als een wingerd klim ik in je naam,
hoger, hoger. Weet ik nog waar
ik wortel? Jij bent mijn grond.

Schatten schaduw
tors ik jou tegemoet
die dorst naar donker.
Sterren vallen van blad naar blad.

Rukte iemand mij uit, ik hervond
mij in jou, ontaarde, klaar
om je bronnen te peilen, je naam.

De bundel heeft drie afdelingen: Mandorla (een amandelvormig aureool om de hele gestalte van Maria of Christus, zo zegt het woordenboek mij), De wals en Winterjasmijn. De vorm van de gedichten is in alledrie de afdelingen gelijk: drie regels, vier regels, drie regels, waarbij het midden het centrum is waaromheen het gedicht zich vaak rijmend spiegelt. Onopvallend rijm.
De inhoud is wel anders in de verschillende afdelingen, of niet zozeer de inhoud als wel het perspectief, de kijkrichting: de blik is in de eerste afdeling naar boven gericht en gaat langzaam naar beneden, waarbij de gedichten in de derde afdeling het meest persoonlijk zijn, intiemer, menselijk. Het gedicht Sprookje bijvoorbeeld is vast ontstaan na iets wat Maria de Groot gezien heeft:

Sprookje

Het weiland spiegelt de zon.
Op kleine voeten het kind.
Bootje vaart op het water.

In een hoek van het heelal knielt storm,
smeekt boze buien af,
schuimende tochten.
Gras zwiept even opzij.

Nog op de oever gesnater
van eenden, het spelend kind.
Alsof het niet sterven kon.

Wie een beetje evangeliekennis heeft, maakt bij het bootje op het water haast ongewild de link naar de apostelen in de storm; in die context heeft het kind het vertrouwen dat de apostelen niet hadden. Maria de Groot is ook theologe, dus dat verhaal zal bij in gebakken zijn. Is dat een juiste aanname? Lees de gebruiksaanwijzing.

Het eerste gedicht van de tweede afdeling is een gebruiksaanwijzing voor een kunstwerk van iemand anders, namelijk van het beeldje ‘De wals’ van Camille Claudel. Van dit soort gebruiksaanwijzingen hou ik erg:

De wals

De branding valt nog om haar heen.
Een avondrok die over rotsen sleept.
Uit zware zeeën stond zij op

en vond de hand die met haar hand
versmolt. In luchtdomein een evenwicht.
De wind stak op. De werveling begon.
Torso aan torso. Wang aan wang.

Hoe dit kapseizend schip in stormgalop
balans bewaart – het is de bronzen greep
van de gedrevene, van haar alleen.

 

 

Roodkoper, mei 2005 - 1