Veerstraat
Marijke Hanegraaf
Uitgeverij De ArbeiderspersDebuteren op je 55ste! Dat is een hart onder de riem van al die schrijvers en dichters bij wie ’t maar niet lukt om een uitgever te vinden: ook nog na je 30ste is er hoop. En blijkens dit debuut kan het helemaal geen kwaad om geduld te betrachten. ‘Veerstraat’ is een bundel die kan wedijveren met bundels van Rutger Kopland of Esther Jansma, met andere woorden, Marijke Hanegraaf zet haar voet met één stap midden in dichtersland.
Hanegraaf zoekt in ‘Veerstraat’ veel tussenplaatsen op, zoals stations, een vertrekhal van een vliegveld, het veer tussen twee oevers. Op dat soort plaatsen valt er natuurlijk veel te zien, maar daarmee is de kwaliteit niet verklaard. Het zijn de ongewone gedachten die bij haar opkomen bij het zien van gewone, alledaagse gebeurtenissen. Zoals de randfiguren op het Centraal Station van Amsterdam, die je eigenlijk liever niet ziet: Hanegraaf opent onze ogen als ze een dergelijke vrouw beschrijft.Een vrouw loopt in de stationshal van de ene uitgang
naar de andere, net als iedereen, maar traag.Je weet nog niet hoe gewaagd haar tempo is
en hoeveel te hoog.Door hun gejaag vervagen de overige passanten
tot strepen in de opname.Hanegraaf ziet hoe de vrouw, die haar gekozen tempo dus niet vol kan houden, onverwacht stil komt te staan en in zichzelf begint te praten,
doet alsof haar niets ontschoten is, probeert een uitgang.Als je even niet kijkt is ze weg.
Merkwaardig hoe ze een leegte beslaat.Een sterfbed is ook een tussenplaats, de plaats tussen leven en dood. Op die plaats wordt het leven anders, voor de wakende net zo goed als voor de stervende. Hoe de levende en de stervende zich van elkaar verwijderen, wordt duidelijk aan de hand van een opsomming van allerlei aardse dingen die verdwijnen, of die zo ervaren worden door de morfine. Alles// verwijdert zich; zie je dan niet/ dat de muren wijken en de balken ontzetten?/ De huizen aan de overkant ijlen weg,// stadsbussen verdwijnen om de hoek/ en hoor je dan niet in de verte het suizelen/ van ontbrekend blad in afwezige wind. Joy ligt op sterven. Zelfs iemand met die naam moet eraan geloven.
Joy krijgt morfine en wordt bediend,
ze ligt tussen ontvangen en geven,
sterft, is al gestorven.De dood komt meer dan eens voor in deze bundel, maar nergens op een ondraaglijke manier. De dood hoort er gewoon bij, zoals ze schrijft in haar ‘Agenda’; ieder jaar opnieuw wordt de sterfdag van Jan opgeschreven. Ik schrijf ook op wanneer je jarig was./ De achtenveertig jaar tussen je geboorte en je dood// liggen in mijn agenda dicht bij elkaar./ Eerst sterf je. Daarna word je geboren. Met zo’n doodgewone naam als Jan, wordt niet alleen de dood heel gewoon, maar ook het leven erna.
Of zoals het gedicht ‘Stof’, waarin Hanegraaf vertelt over de laatste wens van haar moeder (die ze droog maar lief ‘askorrelmoeder’ noemt); ze wilde gecremeerd worden. Haar dochter formuleert het zo: Mijn moeder in haar allerliefste kleren/ wilde eindelijk verstrijken.
Maar ook de vondst van een dode ‘dagpauwoog’ levert een mooi gedicht op, met prachtige beeldspraak. Hier de eerste drie strofen:Onder de camouflage van een windstille dag
tref ik hem aan; een ordelijk pakketje,
de pagina’s van een boek,met twee gelijke bladspiegels en niettemin
een dummy; of een foto, verlokkend
oppervlak maar geen body.Het is september. Onvindbaar lijf,
zoals een beek waarvan de bedding
is drooggevallen in de zomerhitte.Op een aantal momenten laat Hanegraaf doorschemeren dat ze van huis uit Katholiek is: bij Joy, die bediend werd, ze baseerde een liefdesgedicht op het Hooglied, ze laat de engel Gabriël in een gedicht verschijnen, en met titels als ‘Kloosterlaan’, ‘Kerk’ en ‘Advent’. Maar ook subtieler zoals met de verwijzing naar de Rode Zee van Mozes in een gedicht over de ochtendspits, waarin een voetganger wacht op het groene voetgangerslicht: dat het verkeer zich scheide voor een doortocht. Ik hou daar wel van.
Maar voordat ik de indruk wek dat Hanegraaf een reli-dichter is, ze schrijft ook gedichten over computersimulatie, files of de snaartheorie van Edward Witten.Veerstraat lijkt op het eerste gezicht een oer-Hollandse bundel, maar Hanegraaf zet de lezer regelmatig op een onverwacht been. Soms laat ze je ook gewoon stilstaan en kijken.
Veerstraat
Ze zeggen dat er dassen wonen; ze zijn onzichtbaarder
dan het voormalig veer. Er gebeurt hier meerdat ik niet opmerk, de stad gewend, erin geoefend
door te lopen, indrukken te ontwijken. Kortstondiglaat ik mijn verwondering nog wekken door tuinen
op parkeergarages en bomen geplant in enkadrain.Maar waar het land zich traag door een rivier
tot drie terrassen bouwen lieten weer reconstrueren tot vals plat,
waar grond zich omdraait in zijn sluimermoet je kunnen stilstaan en wachten;
je hart een voorzichtig dier.
Roodkoper, maart 2002 - 1