Martin Bril
Verzameld werk

Uitgeverij 521

 

Martin Bril, bekend als columnist, publiceerde een dichtbundel met de titel “Verzameld werk”, ware het een greep uit een oeuvre van een vermaard dichter. Dat hij met de titel iets anders bedoelt, blijkt al meteen uit het eerste gedicht: jagen en verzamelen/ Heb ik op school geleerd/ En van die twee/ (bleek later)/ Verzamelen het meest
Bril verzamelt zijn gedichten. Zoeken heeft dus nauwelijks zin, zegt hij in het tweede gedicht, De kunst is zo te leven/ Dat het je overkomt. En inderdaad, je krijgt bij het lezen van zijn gedichten het idee dat Bril niet heeft gezocht, niet heeft moeten ploeteren tot het uiterste. De gedichten lijken aangewaaid. Dat het ene gedicht wat beter op zijn plek valt dan het andere, neemt hij daarbij voor lief.
Martin Bril schrijft spreektaal en hij lijkt te zeggen wat hij vindt zonder erbij na te denken. Dat geeft zijn gedichten vaart, maar maakt ze ook vluchtig. Je leest de gedichten sneller dan je als gedichtenlezer zou verwachten, je leest zijn gedichten zoals je zijn columns leest. Bril schrijft goede columns; schrijft hij dan meteen ook goede gedichten?
Aan het eind van de bundel staat een motto van Bukowski: It’s so easy to be a poet/ It’s so hard to be a man. Ik wil Martin Bril confronteren met een andere stelling: “het is makkelijk om gedichten te schrijven, het is moeilijk om een dichter te zijn.”
Wat is een gedicht? Ik ben geneigd om die vraag zo ruimhartig mogelijk te beantwoorden. Rijm en metrum kunnen wat mij betreft naar believen worden gebruikt of weggelaten en ook de zinnen kunnen naar hartelust worden uitgetrokken of ingedikt. Er mag zoveel worden geëxperimenteerd dat het gedicht er zelfs niet eens meer uitziet als een gedicht, zolang de dichter maar vindt dat het om een gedicht gaat. Maar dan… wanneer ben je een dichter?
Laat ik een vergelijking trekken naar het gebied van de beeldende kunsten: dan zie ik Martin Bril voor me als een man die altijd en overal zijn schetsblok bij zich heeft en die van alles snelle tekeningen maakt met houtskool. Met enkele lijnen weet hij een man aan een tafeltje neer te zetten: “Op het kruispunt van/Hessenweg en/ Meulunterseweg/ Heel ver weg maar// Dicht bij Barneveld/ Staan twee boerderijen/ Een brievenbus/ En eethuis’t Hek// Binnen bij het raam/ Zit een man naar/ Buiten te staren// In de wei tussen/ De bomen staan/ Twee paarden/ En af en toe komt/ Een auto voorbij// Er hangt een dunne/ Nevel over het land/ En overal vogels// De man binnen bij/het raam staart/ Naar een oude poster/ van Normaal, iets/ Verderop aan/ Een elektriciteitskast/ Geplakt”
De charme van schetsen is dat ze open zijn, veel te raden over laten. Wie de man is? Doet er niet toe. Met deze schets laat Martin Bril zien hoe Nederland kan zijn. En ook met deze schets: “Ineens was ik aan zee/ Er was nog 1 tent open// Oase// Daar zat ik dan/ Kop koffie voor me// Verderop een zwijgend echtpaar/ Met een oude herdershond”
Een erg mooie schets vind ik het gedicht Saluut:

Aan het graf van een oom

Zag ik mijn vader onhandig
Afscheid nemen, hij salueerde
Of hij zwaaide, in ieder geval
Een armgebaar, en ik zag
Zijdelings dat hij het beter
Had willen doen, maar zich
inhield of zelfs schaamde

De oom overigens was een zwager
Zijn jonge jaren pas getrouwd
Bracht mijn vader met hem door
Oom al wat langer getrouwd
Met een oudere zus
Van mijn moeder, ze werkten
Zelfs even samen voor
Dezelfde baas, en mijn ouders
Woonden bij oom en tante in

Dit aan het einde
Van de jaren vijftig

De eerste strofe vind ik erg mooi. De zinnen worden op goede plekken afgebroken, zodat er spanning ontstaat. De twijfeling van de vader wordt uitgebeeld door de aarzelende zinnen. De tweede strofe maakt het gedicht echter kapot -niet alles wat verzameld wordt, is goed.
Er staan veel korte gedichten in “Verzameld werk”. Soms mooie doordenkers (“Advies: Door de ingang kan/ Men ook naar buiten”), soms flauwe grappen (“Corries wanten: Corrie weet van wanten/ Niemand weet waarom”; er staan ook veel lange gedichten in, waaronder één dat zich over vier pagina’s uitstrekt, waarin Bril op een droge manier alles opschrijft wat hij denkt en ziet tijdens een bus- en treinreis. De werkelijkheid van doen en denken op een lullige, pretentieloze wijze beschrijven waardoor ze uitstijgt boven haar oppervlakkigheid, dat is wat Martin Bril hierin doet. En dat gaat hem makkelijker af. En misschien is het ook wel makkelijk om een dichter te zijn. Maar kan iemand die schrijft met houtskool dat ook met olieverf?
….
De bus rijdt
Tien minuten later het station
Stop
Je stapt uit
En snel richting loket
Onder de klok door
Je denkt
Een grote blauwe klok met grote blauwe wijzers
Je loopt naar het middelste loket
Daar zit het mooiste meisje
Je denkt
Ze komt uit Suriname, ze werkt bij het spoor
En ze lacht
Je koopt een kaartje

Je denkt
Rijden maar
En de trein gaat rijden
Buiten valt nog steeds de regen
Op huizen en auto’s
Op weilanden en koeien
En op de duinen in de verte

 

Roodkoper, september 2002 - 5