Martin Reints
Tussen de gebeurtenissen

Uitgeverij De Bezige Bij

 

Op de voorkant van de derde bundel van Martin Reints staat een foto van keurige rijen lege klapstoeltjes. Tussen de gebeurtenissen heet de bundel, en door die foto ben je geneigd de titel te interpreteren als de spannende tijd voor een evenement, er staat iets te gebeuren. ‘Tussen de gebeurtenissen’ zou juist ook kunnen slaan op een slappe tijd tussen belangrijke gebeurtenissen, de tijd waarin eigenlijk niets gebeurt dat de moeite van het vermelden waard is, waardoor er tijd vrij komt om te reflecteren, na te denken over de levensvragen. Maar er is nog een derde interpretatie mogelijk, al denk je door de foto niet zo snel in die richting: als ‘tussen’ plaatsbepalend is, dan is het een plek waarop niets gebeurt, terwijl eromheen van alles aan de gang is: ‘tussen de wal en het schip vallen’, ‘een buitenstaander zijn’. Een positie die past bij kunstenaars, excentriek als ze soms zijn, excentriek zoals de gewone mensen verlangen dat ze zijn, de geldende normen overtredend en jeu gevend aan het leven.
Kunstenaarsm, ze houden niet van dwang, voor hen geen deadlines, want kunst wordt niet gemaakt binnen een vooraf afgebakende tijd, kunstheeft de vrijheid van tijd en ruimte nodig. Ik vermoed dat Reints bij die kunstenaars hoort die zich niks laten vertellen, getuige het gedicht ‘deadline’ waarin een ik (Martin Reints zelf? dat gedoe altijd met die lyrische ikken!) gaat liggen op de bank en de deadline laat passeren:

De deadline naderde, zoals dat heet
buiten trokken wolken langs de hemel
het regende, de zon scheen en het regende opnieuw

ik lag met mijn rechterbeen opgetrokken, zo
dat mijn koude rechtervoet in de warme
holte van linkerknie kon rusten

 

Deadlines zijn helig in onze tijd, en niemand zou het in zijn hoofd halen om een deadline gewoon, als een voorbijtrekkend noodweer, te negeren. Reints dus wel. Hoeveel deadlines heeft hij laten gaan sinds de publicatie van zijn vorige bundel? Dat was in 1992 een gebeurtenis. En nu weer, getuige de grote recensies die in dagbladen verschenen. Een bundel waar de grote VSB-jury 2000 niet omheen zal kunnen. Reints zelf is in ieder geval overtuigd van de kwaliteit van zijn bundel, zoals hij me aankijkt vanaf de foto op de achterflap.

Bij het lezen het lezen van zijn gedichten kwamen bij mij d evragen op die je jezelf soms stelt als je in de trein zit, tussen mensen: je kent ze niet, maaar je bekijkt ze en leert ze toch een beetje kennen. Maar als de trein stopt, vertrekken ze uit je leven. De een gaat links, de ander rechts, de derde neemt de fiets, de vierde de taxi etcetera. Ze gaan allemaal verder met hun leven, tegelijkertijd. En dan ben je ineens in een gedicht van Reints:

kortstondige toestanden met geen andere samenhang
dan de samenhang die er tussen alles is

Met gemak, alsof het aan elkaar gemonteerde filmopnames zijn, zet hij beschrijvingen van uiteenlopende mensen, situaties, locaties, onder elkaar. Van een zangeres naar een passagiersschip, bergen, dagjesmensen, een parkeergarage etcetera. Overgangen die willekeurig lijken, maar dat toch niet zijn, want je laat je al lezend meevoeren. Als de overgangen niet goed zouden zijn, zou je dat meteen voelen. De kwaliteit zit hem in het onopvallende van de kwaliteit.

Er wordt veel geslapen in deze bundel, of net niet geslapen. Er gebeurt veel in de tijd tussen het waken en het slapen, waarin realiteit en droom in elkaar overgaan. Zoals in het gedicht ‘Recital’. De eerste strofes doen me denken aan de oude tekenfilms uit de begintijd van Mickey Mouse die de laatste tijd weer veelvuldig op televisie te zien zijn. Mensen zijn daarin heel vaak dieren: een chique publiek van nijlpaarden in pak en koeien in roze jurken. De zangeres doet wat een zangeres moet doen, namelijk met veel gebaar zingen, zodat het publiek weet wat ze zingt. Het publiek doet wat het hoort te doen: luisteren en hoesten; af en toe snuit iemand zijn neus, als uiting van ontroering of iets anders. De diriget (de leeuw, Reinbert?) gebaart dat het applaus zó wel genoeg is. Tekenfilms zijn bijna altijd karikaturen van de werkelijkheid, en aan de ene kant ben ik geneigd  dit gedicht als zo’n karikatuur te lezen, maar aan de andere kant is het gedicht opvallend droog en beschreven alsof het hier alledaags realisme betreft. Die spanning is tekenend voor deze gedichten.

Recital

Zieke nijlpaarden lezen de tekst van een droevig lied,
nog van voor de oorlog

de zangeres laat haar ene hand op de velugel rusten
en tilt met haar andere hand iets onzichtbaars op

als iemand onopvallend zijn neus snuit
kan dat een uiting van ontroering zijn
of iets anders – je weet het niet

de leeuw die nu achter de lessenaar gaat staan
gebaart dat het applaus voor de zangeres mag ophouden

En dan zou het kunnen zijn dat de realiteit van film – eigenlijk ook al niet de echte realiteit, maar wat is echte realiteit? – overgaat in droom, of halfdroom, waarin geluiden van buiten een eigen leven kunnen gaan leiden. Een klap op een pauk kan een pistoolschot worden: zomaar opeens ligt er een oude geit dood op het zebrapad. Het buitengebeuren gaat op een absurde manier door, zoals ze dat in een tekenfilm zouden doen, als deskundigen zich letterlijk buigen over de toedracht:

buiten wordt geschoten
een oude geit valt dood neer op een oversteekplaats

deskundigen buigen zich over de toedracht van het gebeurde
de veronderstelling die ten grondslag ligt aan hun onderzoek
luidt: iedere schietpartij heeft zijn aanleiding

door de stad stroomt een brede rivier

ik zou mijn bed uit moeten om warme melk te drinken
maar ik wil niet
en de gedachten willen maar niet in iets uitmonden

niets wil:
alle wil staat achter een grote keukendeur,
ver weg

Je slaapt half. Je bent wakker genoeg om te weten dat je nog niet slaapt en eigenlijk je bed uit zou moeten om warme melk te drinken, zodat je sneller helemaal zou slapen, maar je hebt de wilskracht niet meer om die melk te gaan halen. Als je die melk gedronken zou hebben, dan zou je die wilskracht wél hebben. Een probleem dat door de manier waarop het gefromuleerd is, onoplosbaar is geworden, en tussen het niet-opstaan en wel-opstaan ook onoplosbaar blijft.
Filosofische problemen, daar houdt Reints van, en ik moet zeggen, ik ook.

Aan het einde van de bundel kom je bij drie gedichten die gaan over een spreker, en dan heb je als lezer plaatsgenomen op een van die klapstoeltjes die staan op de voorkant. Je luistert naar de spreker zonder dat je weet wat hij zegt. reints kiest zorgvuldig, haast droog en afstandelijk, zijn woorden en laat de spreker verdwalen in zijn betoog.
Ik geloof dat het aan het einde van de lezing wel weer goed komt met de spreker , maar helemaal zeker ben ik daar niet van. Misschien is wel een van de kenmerken van goede poëzie
dat je er nooit helemaal zeker van kan zijn.

Halverwege de lezing aan gekomen
blijkt spreker op een meer te roeien
dat geen oevers heeft

de ene roeispaan heet:
wat ik bedoel te zeggen, is dit

de andere roeispaan:
ik kom hier later nog op terug

Het zal onmogelijk zijn om, de volgende keer dat ik zelf een spreker ben, niet aan deze gedichten te denken, die me overigens door de namen van de roeispanen, die in de bundel cursief gedrukt zijn, dus citaten lijken, aan Rutger Kopland doen denken. Er is bovendien elkers in deze bundel een gedicht aan hem gewijd. En dat brengt me op een boek dat Kopland heeft geschreven, Mooi, maar dat is het woord niet, waarin hij een aantal dichters, onder wie Martin Reints, becommentarieert. Dat boek is een soort sleutelboek, omdat de besproken dichters, behalve Tonnus Oosterhoff, zich ook in hun eigen bundels met elkaar verbinden: Martin reints schrijft een gedicht bij een tentoonstelling van Willem den Ouden, een tentoonstelling war Michel K. óók een gedicht bij schreef. K. Michel schreef een gedicht naar aanleiding van een krantenbericht waarin melding werd gemaakt van negenentwintigduizend overboord geslagen speelgoedbeesten; Frank Koenegracht maakt daar óók een gedicht bij. K. Michel maakte een gedicht over Nova Zembla, net als Esther Jansma. En Martin Reints schrijft een gedicht over Kopland en maakt zo het rondje dicht.

In dit boek laat Kopland ook de becommentarieerde dichters zelf aan het woord: Martin Reints zegt bijvoorbeeld over het verzamelen van materiaal, woorden, zinnen: ‘Daar doe ik lang over. Ik hou ervan als taal de taal uit verschillende bronnen komt, want dan krijg je inhoudelijke contrasten tussen de zinnen en dat bevordert de helderheid.’ En hij houdt woord. Sierlijke wartaal noemt hij dit in hyet gedicht ‘Uren, dagen, maanden, jaren’, ‘waarvan het ene woord uit de de reclame komt / en het andere uit de filosofie’. En zo is het. Maar niet helemaal, want hij kleurt de woorden zo naar elkaar dat ze toch een eenheid vormen en de woorden ontdaan worden van hun oorspronkelijke betekenis, en een nieuwe betekenis krijgen door de woorden waar ze tussen staan: bijvoorbeeld de deadline in het hier besproken gedicht kun je gewoon laten passeren, in tegenstelling tot de deadline in de realiteit. En bij met name het vinden van woorden die je niet direct in poëzie zou verwachten, zoals ‘printer’, ‘archiefkast’, ‘managers’ of mensen benoemen als A, B, C en D alsof ze zo uit de wiskunde zijn weggelopen, doet hij goed werk, omdat hij aantoont dat eigenlijk geen woord onbruikbaar is in poëzie. Als je de woorden maar op een goede manier gebruikt, zoals Reints doet.

 

Roodkoper, september 2000